Mohammed Ibrahim Al Dhaheri | topambtenaar VAE Europese landen moeten snel gaan helpen om de scheepvaart in de Straat van Hormuz weer mogelijk te maken. Dat zegt Mohammed Ibrahim Al Dhaheri, diplomaat van de Verenigde Arabische Emiraten. „Dit moet Teheran in toom houden.”
Schepen in de Straat van Hormuz in juni 2026.
Mohammed Ibrahim Al Dhaheri wil actie zien van de Europese landen en snel ook. Vanuit Abu Dhabi, hoofdstad van de Verenigde Arabische Emiraten, ziet hij dat Europese landen spreken over een multinationale marinemissie die een vrije en veilige doorgang van schepen door de Straat van Hormuz moet garanderen. „Een belangrijk initiatief”, zegt topambtenaar Al Dhaheri tijdens een online interview, „maar we hebben niets concreets gezien. We kunnen het ons niet veroorloven om de uitvoering van de missie nog langer uit te stellen.”
De 38-jarige Al Dhaheri geldt als een invloedrijke stem in het buitenlandbeleid van de Verenigde Arabische Emiraten. Naast topambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken is hij adjunct-directeur-generaal van de gerenommeerde Anwar Gargash Diplomatieke Academie in Abu Dhabi, een instituut voor de opleiding van diplomaten en analyses van internationale zaken. Al Dhaheri denkt mee over strategieën, bemiddeling en conflictoplossing.
„We moeten niet wachten tot de oorlog voorbij is als voorwaarde voor actie”, benadrukt hij als het gaat over het Frans-Britse initiatief, waarover sinds half april wordt gesproken. Sinds dezelfde maand geldt een wankel staakt-het-vuren tussen de Verenigde Staten en Iran, in de oorlog die eind februari begon met Amerikaanse en Israëlische bombardementen op Iran. Ondanks het staakt-het-vuren beschieten Iran en de Verenigde Staten elkaar en waren er weer bombardementen op Israël en Iran. Onderhandelingen over een einde aan de oorlog leveren tot nu toe niets op.
Als machtswapen heeft Iran de Straat van Hormuz vanaf begin maart geblokkeerd. De waterweg tussen Iran en Oman vormt een cruciale doorgang voor scheepvaart van de Perzische Golf naar de Indische Oceaan. Tot de oorlog verliep ongeveer 20 procent van de wereldwijde oliehandel via de zeestraat. Nu gaat er nauwelijks een schip door de waterweg. De Franse president Emmanuel Macron en de Britse premier Keir Starmer hebben verklaard de missie in de straat pas te willen uitvoeren als er een duurzaam staakt-het-vuren is. Ook Nederland sluit deelname aan de missie uit zolang er wordt geschoten.
„De Straat van Hormuz is niet alleen belangrijk voor de Emiraten, maar ook voor de internationale gemeenschap”, zo onderbouwt Al Dhaheri zijn standpunt. „Europese landen worden enorm beïnvloed door de huidige situatie. Denk aan de olie- en gasprijzen, inflatie en de doorvoer van kunstmest. We moeten terug naar de situatie van vóór de oorlog. Dit betekent dat we moeten beginnen met de uitvoering van de missie zonder te wachten op een volledig staakt-het-vuren of een vredesakkoord.”
„Het doel is beperkt en praktisch. Je moet de zeestraat open en veilig houden voor de scheepvaart en tevens de verzekeraars het vertrouwen geven om er normaal gebruik van te maken. Het gaat om zeemijnen ruimen, gestrande schepen helpen en het civiele scheepvaartverkeer escorteren. Naarmate de situatie stabiliseert en het risico op een nieuw incident afneemt, dalen de verzekeringskosten.
„Twee voorwaarden moeten leidend zijn. Ten eerste moet de missie gebaseerd zijn op het internationaal recht en zich strikt beperken tot de bescherming van de doorvaart voor civiele schepen. Ten tweede moeten de Golfstaten hun eigen verantwoordelijkheid nemen om de wateren te beschermen, met steun van partners.”
Het Westen heeft ervaring met zulke operaties, stelt Al Dhaheri. Hij herinnert aan de oorlog tussen Irak en Iran in de jaren tachtig. Beide landen vielen handelsschepen aan in de Perzische Golf en de Straat van Hormuz. De Verenigde Staten besloten schepen met hun marine te escorteren. Deze eeuw beschermde de Europese Unie schepen tegen piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust.
Rook stijgt op na een explosie in het industriegebied van Fujairah. een van de Emiraten,in maart dit jaar.
„De marines zullen een zware taak hebben. Maar ik wil benadrukken dat een konvooi het veiligst is als er een brede defensieve coalitie achter staat. Een die losstaat van de oorlogspartijen. Iran kan zo’n missie niet afschilderen als vijandig. Wanneer Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en andere landen deelnemen aan deze missie wordt een aanval op een beschermd schip een aanval op de missieleden, en op het principe van vrije doorgang waarop elke handelsnatie vertrouwt. Iran wint niets met een dergelijke aanval en isoleert zichzelf erdoor. Dit moet, meer dan welk wapen dan ook, Teheran in toom houden.”
„We begrijpen dat er een geschiedenis is en verschillende ervaringen met interventies. Maar de Iraniërs proberen tijd te winnen, terwijl de hele internationale gemeenschap wordt geraakt. De luchtvaartindustrie wordt getroffen, mensen in bepaalde landen ondervinden problemen met toegang tot voedsel. Stel je voor dat deze situatie zich uitstrekt tot een staakt-het-vuren van zestig dagen met daarna nieuwe onderhandelingen die nog eens zes maanden kunnen duren, tot het einde van het jaar.”
„Ja, want ook dan blijft het doel om de scheepvaart te beschermen bestaan. Uiteraard moet de operationele uitvoering worden aangepast. Maar een maritiem veiligheidsinitiatief dat alleen is ontworpen om te functioneren tijdens absolute rust heeft weinig zin voor de wereldwijde scheepvaart wanneer veiligheid het hardst nodig is. De huidige broze situatie onderstreept waarom het opzetten van een verdedigingsstructuur dringend noodzakelijk is in plaats van te wachten op ideale omstandigheden.”
De oorlog gaat niet voorbij aan de Emiraten. Als reactie op de Amerikaans-Israëlische aanvallen sloeg Iran terug en voerde de meeste drone- en raketaanvallen uit op de Verenigde Arabische Emiraten. Een meerderheid daarvan kon het land onderscheppen. Toch werden steden als Abu Dhabi en Dubai geraakt, net als een passagiersvliegveld en energievoorzieningen. Volgens de Emiraten was 90 procent van de aanvallen gericht op civiele infrastructuur. „Een schok” en „onverwachts”, zegt Al Dhaheri over de mate van de Iraanse aanvallen.
In totaal vielen in het land dertien doden en meer dan 220 gewonden. „En dat terwijl we niet deelnemen aan de oorlog. We hebben al vóór de oorlog, tijdens de oorlog en tot nu toe niet toegestaan dat de Amerikanen en Israëliërs ons luchtruim gebruiken.”
„Wij maken geen deel uit van deze oorlog. Ons grondgebied en onze bevolking werden aangevallen, en wij hebben onszelf verdedigd op grond van het internationaal recht en artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties [het recht op zelfverdediging wanneer een land wordt aangevallen].”
„Daar wil ik geen commentaar op geven, omdat dat een taak is voor defensiefunctionarissen. Als iemand die zich met buitenlandse zaken bezighoudt, kan ik bevestigen dat we uitsluitend gebruikmaken van onze internationale rechten. Die gebruiken we als het gaat om zelfverdediging en actieve verdediging van onze soevereiniteit. We zien geen militaire oplossing.”
„We moeten het nucleaire programma van Iran aanpakken. We moeten hun raketten en drones aanpakken en dan bedoel ik de hoeveelheid en het bereik. Teheran heeft jarenlang beweerd dat hun raketten geen bedreiging vormen voor de buurlanden, maar we hebben het tegenovergestelde gezien bij de aanvallen op de civiele infrastructuur. We moeten een einde maken aan de buitenlandse inmenging van Iran. We moeten terugkeren naar de vrijheid van scheepvaart.
„Iran mag geen kernwapen bezitten. Dit is absoluut een rode lijn en wordt niet geaccepteerd door de regio en de internationale gemeenschap. We hebben de enorme dreiging gezien van hun raket- en dronecapaciteiten. Stel je voor dat Iran in deze situatie over kernwapens zou beschikken. Ze zouden niet aarzelen om buurlanden en de hele regio hiermee aan te vallen.”