Eugenie Kaaijk | directeur MCK De voorlichting van Medisch Centrum Kinderwens voldeed niet en de kliniek hield zich niet aan de norm van 25 kinderen per donor. Dat blijkt uit een kritisch rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. „Ik kan het verleden niet veranderen, maar ik ben er wel voor het heden en de toekomst.”
Medisch directeur Eugenie Kaaijk van het MCK.
Vlak naast de drukste snelweg van Nederland ligt MC Kinderwens (MCK), een vruchtbaarheidskliniek in een imposant gebouw van spiegelglas. De kliniek in Leiderdorp bedient een aanzienlijk deel van de Nederlandse wensouders en is vooral populair bij mensen die donorconceptie overwegen. „Wij vertegenwoordigen een groot deel van de zorg op dit gebied”, zegt directeur Eugenie Kaaijk. Het gros van de clientèle bestaat uit alleenstaande vrouwen en lesbische stellen.
Kaaijk ontvangt in haar kantoor, de volle wachtkamer vlakbij.
Woensdagmiddag verschijnt over het MCK een rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De kritiek is niet mals. De inspectie concludeert dat de voorlichting van MCK tussen 2003 en 2018 niet aan de wettelijke eisen voldeed en dat de kliniek zich niet aan de geldende norm van 25 kinderen per donor hield. Er zijn inmiddels 36 ‘massadonoren’ bekend.
De gangbare praktijk van 25 kinderen bestaat al jaren om te voorkomen dat grote verwantschapsgroepen van halfbroers en halfzussen ontstaan. Veel klinieken bedienen vaak de directe omgeving en als een groep te groot is, neemt het risico op incest toe. Halfbroers en -zussen zouden zonder het te weten een relatie met elkaar kunnen beginnen. Bovendien kan het stress opleveren, als je ineens onderdeel blijkt van zo’n grote groep.
„In het rapport staat dat de kliniek 25 gezinnen per donor aanhield, in plaats van 25 kinderen. Daardoor zijn er groepen ontstaan van bijvoorbeeld dertig, veertig of meer kinderen per donor.
„Ik werkte destijds niet in deze kliniek en om meer te weten te komen over het verleden, heb ik met oud-bestuurders gesproken. Een van hen zei: we wilden gewoon mensen helpen en we dachten in gezinnen. Op zich is dat een begrijpelijke gedachte, want mensen die gebruikmaken van donorconceptie, willen meestal al hun kinderen van één donor.
„Vóór 2004 werd in Nederland vrijwel uitsluitend met anonieme donoren gewerkt, en ik heb begrepen dat het idee was dat grotere verwantschapsgroepen minder schadelijk zouden zijn omdat er na 2004 meer openheid kwam over donoren. De populatie veranderde bovendien: er kwamen meer lesbische koppels en alleenstaande vrouwen, over wie gedacht werd dat zij hun kinderen openheid gaven over het bestaan van een donor. De aantallennorm was er vooral vanwege het risico dat consanguiniteit, bloedverwantschap, meebrengt. Dat vind ik een prettiger woord dan incest. De perceptie in de kliniek was dat het risico niet groter zou worden als de norm van 25 gezinnen zou worden aangehouden.”
Koelingen met embryo’s in het MCK.
„Die norm van 25 was ook arbitrair. Maar het is natuurlijk wel heel opmerkelijk dat je als kliniek besluit om er iets anders van te maken. En dat je dat niet expliciet met de wensouders bespreekt. Ik denk dat ze totaal niet hebben ingezien dat dit mogelijk consequenties voor kinderen zou kunnen hebben.”
„Ik kan die gedachtegang wel volgen. Maar ik heb moeite met de periode rond 2018. In dat jaar werd intern besproken dat er overschrijdingen waren en is men met kleinere aantallen gaan werken, maar zijn de gemaakte fouten toch niet gedeeld met ouders en donoren. Dat vind ik heel ingewikkeld.”
„De verklaring die ik heb gehoord, is dat de kliniek niet in de benodigde persoonsgegevens mocht waardoor gedupeerden niet benaderd konden worden. Toen is besloten wel iets op de website te zetten over het verleden en mensen in te lichten die nog in behandeling waren. Als we proactiever contact hadden gezocht met de gedupeerden, hadden we heel veel onrust en vragen kunnen voorkomen. Nu moeten we uitleggen waarom we er zeven jaar lang niets mee hebben gedaan.”
De inspectie begon haar onderzoek na meldingen en onthullingen over het MCK door het journalistieke programma Nieuwsuur, en daaropvolgende onrust. De eerste uitzending in die reeks was een jaar geleden, vlak nadat gynaecoloog Kaaijk aan haar nieuwe baan als directeur begon.
De kliniek heeft nog niet eerder uitgebreid op de aantijgingen en onderzoeksresultaten gereageerd.
„Dat ben ik nagegaan. Het was inderdaad gangbare praktijk dat donoren tot vijftig jaar werden ingezet. Een oud-bestuurder zei dat ze die leeftijdsgrens oprekten vanwege donorschaarste. Die 45 jaar was gebaseerd op de toekomst van het kind, zodat die later eventueel diens vader nog zou kunnen leren kennen. De gedachtegang van de oud-bestuurder was dat de mens steeds ouder wordt, dus dat donoren ook wel wat ouder konden zijn.”
„Er zijn nog mensen werkzaam die er destijds wel waren. Die hadden hier misschien ook kunnen zitten, maar ik voel me als directeur verantwoordelijk. Ik kan het verleden niet veranderen, maar ik ben er wel voor het heden en de toekomst.”
Vorige week bleek dat een grote meerderheid van het kabinet een uitgebreid onderzoek naar het verleden van donorconceptie wil. Wat ging er allemaal mis en wie waren daarvoor verantwoordelijk? De laatste jaren komen steeds meer misstanden aan het licht. Over massadonatie zoals in het MCK, maar ook over gynaecologen die voor behandelingen eigen zaad of ander zaad dan beloofd gebruikten. Uit onderzoeken naar sommige van die gynaecologen bleek dat zij de wensouders wilden helpen en dachten dat ze dat soms ook wel met hun eigen zaad konden doen. In de voorloper van het MCK bleek eerder al dat een laborant zijn eigen zaad inzette bij behandelingen.
„Dat gaat over een laborant die in de jaren tachtig zijn eigen sperma heeft gebruikt als er geen donor kwam opdagen. Er zijn inmiddels elf nakomelingen bekend. In 2024 hebben we over die kwestie een tussenrapport gepubliceerd en binnenkort komt het eindrapport op de website.”
Twee derde van de Nederlandse kinderen die met donorzaad worden verwekt, worden verwekt met zaad uit Deense donorbanken. Die banken houden zich binnen Nederland aan de wet, die sinds 2025 voorschrijft dat een donor twaalf gezinnen mag helpen, maar kunnen door inzet in andere landen meer kinderen verwekken.
„We moeten ons afvragen of we het goed doen. Want er ontstaan inderdaad grote verwantschapsnetwerken. Dat is een heel actueel onderwerp binnen onze beroepsgroep. Er is een commissie samengesteld om op dit onderwerp nieuwe randvoorwaarden te creëren.
„Toen ik op mijn vierentwintigste als fertiliteitsarts begon, ging het vooral om de vrouw die heel erg de wens had om een kind te krijgen. En die wilde je helpen. Met wensouders werd vooral gesproken over het nest waarin zo’n kind terecht zou komen. Waren daar zorgen over? Zo niet, dan kon het. Nu zie je dat de nadruk veel meer op de identiteit van het donorkind komt te liggen en de existentiële vragen die bij zo iemand opkomen.”
„Dat kan, maar daar ligt precies het dilemma. Als je het hier niet meer doet, gaan mensen niet alleen voor zaad naar het buitenland, maar ook voor de behandeling zelf. Als je geen alternatief biedt, neem je geen verantwoordelijkheid. Dan zeg je: zolang het niet in ons gezichtsveld gebeurt, hebben wij het niet gedaan.
„Een plan dat in de beroepsgroep wordt besproken, is het oprichten van een nationale donorbank. Zoiets bestaat niet in Nederland. Wensouders kunnen nu via sommige klinieken wel sperma van Nederlandse donoren krijgen, maar er is vaak een wachtlijst of slechte infrastructuur. Hoe kunnen we die versnipperde donorwerving omzetten tot goede werving?”
„Wij ontmoeten mensen hier op een heel intiem en kwetsbaar moment van hun leven. Veel van hen hebben een intrinsieke wens om een kind voort te brengen. De gevolgen overzien ze misschien pas later. Daarom denk ik dat we wensouders beter moeten begeleiden, dat we meer gesprekken moeten voeren over de gevolgen van donorconceptie voor de kinderen. Daar zijn nog geen concrete plannen voor, maar die moeten we met elkaar gaan maken.
„Het gaat nu veel over wat in het verleden misging in de sector. Dat snap ik enerzijds wel, maar er gaat veel energie naartoe, terwijl we ook te maken hebben met een actueel probleem. Ik hoop dat daar nog geld en tijd voor overblijft.”