Nationale Opera & Ballet organiseerde een avond over de tragische heldinnen van de opera, en hoe om te gaan met hun dood. Want dood gaan ze bijna altijd, door eigen hand en mes (Madame Butterfly), door vrijwillig de brandstapel op te gaan (Norma), door tuberculose (Violetta in La Traviata) of door huurmoordenaars (Gilda in Rigoletto).
We zien voor ons hoe deze personages honderden jaren gestorven zijn, ook als we nog nooit een opera hebben bezocht. Het zijn echte vrouwen, met lange haren en rode lippen. En borsten. Aan het begin verleidelijk, smachtend, in het bezit van seksuele macht. Aan het einde een gepijnigd lichaam, een trage doodsstrijd, een laatste noot, hoog en smartelijk. Een lichaam dat kapseist en bewegingloos eindigt. Het vrouwenlichaam als politiek landschap waarop oorlogen, frustraties en verlangens worden beslist.
Carmen van Bizet en Desdemona in Otello van Verdi worden vermoord door hun eigen jaloerse mannen, die hen verdenken van overspeligheid, of niet kunnen leven met het idee dat deze vrouwen hun bezit niet zijn.
Ik zit tijdens het programma in het panel naast twee vrouwelijke regisseurs die zich afvragen hoe ze, nu we femicide leren zien voor wat het is, nog een Carmen kunnen maken.
Hoe überhaupt om te gaan met een overvloed aan stervende, lijdende lichamen van vrouwen op ons netvlies? Ik kijk al jaren niet meer naar Netflixdocumentaires waarin vrouwen verdwijnen, of mishandeld en gedood worden. Het is niets dan pulp: een verlekkerd opdissen van de meest absurde wreedheden, die vrouwelijke kijkers nog minder vrij doet voelen dan ze al zijn.
Ik ken een vrouw, ze woont in de VS, die wel eens in haar eentje in een blokhut resideert in de Catskill Mountains. Niet om het lot te tarten, maar om een poging te doen iets te herschrijven: niet iedere afzondering of nachtelijke wandeling eindigt in de dood.
Ondertussen hoor ik in mijn achterhoofd de muziek. De zachte fanfare, de toreador die van buiten de stadsmuren nadert. Wát een stuk.
Dan zie ik Carmen weer liggen, de rok uitgespreid, de treurende Don José, het mes nog in zijn hand, op zijn knieën naast haar.
Een van de regisseurs zegt dat Carmen op haar persoonlijke zwarte lijst staat. Kunst en zwarte lijsten: de oren in de zaal worden gespitst. Een man in het publiek zegt dat hij niets van de avond begrijpt. Hij houdt van Carmen, is hij nu fout?
Ik vertel hem over een paar Carmens die ik gezien heb. Die van Frank Groothof toen ik klein was, de film Carmen Jones, een jeugdtheatervoorstelling met een Rotterdamse Carmen of slaperig, door de hitte tegen een lief aangeplakt, de Carmen in de opera van Verona.
Carmen kunnen zijn is een voorrecht dat ik deel met alle donkere, zinnelijke, kwaaie vrouwen, dacht ik altijd. Eindelijk een heldin voor meisjes zonder blonde haren.
Maar goed, dan dus wel ten koste van je leven als je niet uitkijkt met de mannen. Een verlangen, uitmondend in een ernstige waarschuwing. Ze was te veel voor de wereld, deze wilde woeste vrouw!
„Ik heb toch ook recht op een ander verhaal?” vraag ik de man. Een inkopper, maar wel eentje die gemaakt moet worden.
Na afloop van de avond loop ik in het donker naar een taxi. Ik stap in, zonder eerst de chauffeur door het raam te bekijken.
Dat zou heel goed moeten voelen en dat doet het ook.
Heel goed en heel fataal.