Home

Iedereen die ooit op school zat, zal zich herkennen in de nieuwe roman van Ernest van der Kwast

Nederlandse literatuur In zijn nieuwe roman brengt Ernest van der Kwast een groep gozertjes tot leven die bij de verwarming in een school hangen. Vaak is dat echt geestig.

Leerlingen van het Teylingen College Leeuwenhorst in Noordwijkerhout tijdens de pauze.

„Dood aan het boekverslag”, prijkt op de posters die schrijver Ernest van der Kwast (1981) uitdeelt op scholen die hij bezoekt. Ruim vijfduizend middelbare scholieren in Rotterdam, van vmbo tl tot vwo, lezen op dit moment zijn nieuwe, pas verschenen roman Schooljaren. Er zit een lesbrief bij, maar een traditioneel boekverslag met een samenvatting, een analyse van de personages en een uitleg van thema en motieven hoeven de scholieren niet te maken. „Er was een leven vóór het boekverslag – lichtvoetig, onschuldig, hoopvol”, heet het in de roman. „En er was het leven erna: donkere wolken, uitzichtloosheid, negatieve gedachten.” Van der Kwast kwam op het idee voor zijn nieuwe boek toen hij tijdens schoolbezoeken merkte dat hij met vertellen over zijn eigen schoolervaringen de leerlingen bereikte, vertelde hij in een interview, meer dan met uitweiden over zijn werk.

Ernest van der Kwast: Schooljaren. De Bezige Bij, 256 blz. €21,99

In Schooljaren staat een groepje jongens bij de verwarming in de hal van hun school, vijf jaar lang. Ze kijken om zich heen, becommentariëren leraren en medeleerlingen, kaarten voorzichtig de toekomst aan, maar staan toch vooral te staan. Veilig bij elkaar. Over Mo, Erinç, Dave, Ashraf en zichzelf heeft de ik-verteller, die naamloos blijft, het aanvankelijk vooral in de ‘we’-vorm: „We zwegen”; „We hadden nog nooit gezoend”; „We dronken Capri Sun”; „de hele verwarmingsgroep viel in coma”.

Aardrijkskunde

De sfeer en de gebeurtenissen in Schooljaren zijn voor iedereen die ooit op school zat herkenbaar. Met name voor mannen. In het eerste hoofdstuk staat als een paal boven water wat het hoofdprobleem is voor de dan veertienjarige jongens: hun erecties. Bij het minste of geringste en op de meest ongelukkige momenten dienen die zich aan, bijvoorbeeld als je net voor de klas moet komen bij aardrijkskunde om op de kaart „hooggebergtevegetatiezones” aan te wijzen.

Geile jongens zijn ze, geen aardige, schrijft Van der Kwast een beetje koket. Met deze nogal afgekloven verwijzing lijkt duidelijk te zijn wat voor boek dit wordt: best grappig, maar slapjes en voorspelbaar. Verrassend genoeg valt dat mee. Schooljaren is vaak echt geestig, of het nu gaat over bokspringen bij gym of slowen tijdens een klassenfeest, en het heeft veel vaart.

Van der Kwast slaagt erin de gozertjes bij de verwarming als groep tot leven te brengen, maar de jongens ook gaandeweg steeds meer tot individuen te laten uitgroeien (het zijn overigens wel degelijk aardige jongens). Dat is knap, temeer daar hij niet zozeer over dat groeien uitweidt, maar het laat blijken uit de handeling, uit de dialogen. Ook de ambivalentie is goed getroffen: enerzijds gebeurt er nooit iets op school en vragen de jongens zich af wanneer het échte leven nu eens begint, anderzijds zijn ze bang. Bang voor meisjes, bang voor de verwachtingen van hun ouders, bang voor de toekomst. Er valt een hoop te verprutsen en onder alle landerigheid gaat de overtuiging schuil dat „op school niks ergs [kan] gebeuren”. Dat laatste wordt cru bijgesteld als een schoolgenoot van vijftien zich van het leven berooft en er tijdens de werkweek in Hoenderloo een noodlottig ongeval gebeurt. Ook als Van der Kwast dit drama (en trauma voor het leven) beschrijft, blijft zijn toon licht.

Zeef van het geheugen

Opvallend is de nostalgische ondertoon bij dit alles. Hoe levendig de roman ook is, het verhaal heeft toch ook de teneur van een terugblik. De ik-verteller, die duidelijk op Van der Kwast zelf is geïnspireerd, onderbreekt zijn relaas geregeld met bemerkingen als: „Er sijpelt van alles door de zeef van het geheugen, en dat is maar goed ook. Wat er niet doorheen valt, is soms raadselachtig en vervreemdend: beelden waarvan je je afvraagt waarom je die hebt onthouden, herinneringen die onbestemd en dof zijn. Maar heel af en toe blijft iets op de zeef liggen wat zijn schittering nooit verliest.”

Van der Kwast kruipt in zijn personages, maar niet helemaal, niet zoals goede jeugdboekenschrijvers zoals Erna Sassen dat doen. Dat zwakt de roman af. Het is de vraag wat zijn lezers, vooral de jonge onder hen, met dit soort passages moeten aanvangen, waarom hij het niet aan henzelf overlaat om dergelijke overkoepelende conclusies te trekken. Al zal dat misschien pas in later jaren zijn en hoeft het nu niet in een boekverslag.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next