Ongelijkheid Zijn in het jaar 2100 de ongelijkheid én de klimaatverandering beteugeld? De Franse econoom Thomas Piketty rekende het door, en zegt met co-auteurs: ja, dat kan. Hij presenteert vergaande plannen voor een verbouwing van de wereldeconomie. „We móéten het hebben over alternatieve ontwikkelingsmodellen.”
De Franse econoom Thomas Piketty in 2020.
We moeten veel minder gaan werken. We moeten veel minder rood vlees eten. Er moet een groot nieuw internationaal ‘rechtvaardigheidsfonds’ komen, dat jaarlijks ruim 10 procent van het wereldwijde bbp herverdeelt van rijke naar arme landen. Én er moet een mondiale reservemunt komen.
Dat lijstje ideeën klinkt nogal ambitieus, om niet te zeggen utopisch. Maar ze zijn wel afkomstig van één van ’s werelds topeconomen: Thomas Piketty. Deze donderdag presenteert de 55-jarige Fransman met enkele co-auteurs plannen voor een radicale, alomvattende en tot in de puntjes doorgerekende verbouwing van de wereldeconomie.
Thomas Piketty (1971) is hoogleraar Economie en Economische geschiedenis aan het Franse onderzoeksinstituut EHESS en aan de Paris School of Economics. Piketty werkte eerder onder meer aan de Amerikaanse topuniversiteit MIT. Behalve zijn standaardwerk Le capital au XXIe siècle (Kapitaal in de 21ste eeuw, 2013) schreef hij onder meer ook Capital et idéologie (Kapitaal en ideologie, 2019), waarin hij ingaat op de ideologieën van de „bezittende klasse”. Piketty is getrouwd met de econoom Julia Cagé. Met haar schreef hij het boek Une histoire du conflit politique (Een geschiedenis van politiek conflict, 2023), over stemgedrag en sociale achtergrond in Frankrijk.
Hun doel: aan het einde van deze eeuw moeten twee van de grootste uitdagingen voor de mensheid zijn beteugeld. De enorme ongelijkheid tussen arme en rijke landen moet goeddeels zijn opgeheven, én tegelijkertijd moet ontwrichtende klimaatopwarming zijn voorkomen. Het staat in het deze donderdag verschenen Global Justice Report van het World Inequality Lab in Parijs, een onderzoeksinstituut waarvan Piketty co-directeur is. Aan het rapport werkten ruim veertig onderzoekers mee.
Thomas Piketty noemt zijn nieuwe voorstellen in een videogesprek met NRC „helemaal niet zo radicaal”. Vanuit zijn met boeken gevulde werkkamer in Parijs noemt hij „de problemen waar de wereld voor staat gewoon heel complex”.
De energieke econoom houdt amper op met praten. Gretig zoekt Piketty de ideeënstrijd met rechts. „De reactionaire of nationalistische kant, met Trump als belangrijkste voorbeeld, verwoordt zijn wereldbeeld heel duidelijk. Het is cruciaal dat internationalisten daar een verhaal tegenover zetten dat gebaseerd is op gedeelde welvaart en mondiale rechtvaardigheid.”
Wanneer Piketty spreekt, wordt doorgaans geluisterd. Weinig economen verdienen het predicaat ‘stereconoom’, maar dit is er zo een. De Fransman blies met zijn werk Kapitaal in de 21ste eeuw (2013) het debat over economische ongelijkheid nieuw leven in – ook in Nederland, waar hij destijds op uitnodiging van Jesse Klaver (GroenLinks) sprak in de Tweede Kamer. Uitgevers vochten om de rechten op de wereldwijde bestseller. In de boekenkast achter hem staat een stevige rij vertalingen.
Het belangrijkste punt in Piketty’s standaardwerk is dat ongelijkheid binnen het kapitalisme van nature toeneemt, omdat het bezit van vermogen meer oplevert dan inkomen uit arbeid. Piketty pleitte onder meer voor (veel) hogere belastingen op topvermogens en -inkomens. In het Global Justice Report wordt dit pleidooi herhaald. De komende decennia moet de rijkste 1,3 à 1,5 procent van de wereldbevolking, afhankelijk van het vermogen, 1 tot 20 procent gaan vermogensbelasting afdragen aan een op te richten Global Justice Fund. Dit fonds moet zijn gericht op herverdeling van welvaart op wereldwijde schaal en op grootschalige klimaatinvesteringen.
Het idee ongelijkheid en klimaatverandering tegelijk aan te pakken, is op zich niet nieuw. Ook Oxford-econoom Kate Raworth beschreef in haar boek Donuteconomie (2017) al ideeën om te komen tot een economie die én iedereen voldoende welzijn biedt, én binnen de draagkracht van de aarde blijft. Piketty en collega’s leveren nu een grondige doorrekening van wat nodig is om in zo’n wereld terecht te komen. Nieuw is dat deze studie klimaatmodellen met precieze berekeningen van ongelijkheid op zeer lange termijn samenbrengt.
Wat moet er gebeuren zodat alle landen in 2100 ongeveer hetzelfde welvaartsniveau bereiken? En welk welvaartsniveau is haalbaar bij klimaatopwarming onder de 2 graden, zoals vastgelegd in het Akkoord van Parijs? Met die vragen is het team aan het rekenen geslagen. Hun antwoord: ja, het is mogelijk. Maar alleen als met name rijke landen fundamenteel anders gaan denken over groei, welvaart en werk.
Maandinkomens per hoofd van de bevolking moeten in alle landen van de wereld naar hetzelfde niveau toegroeien in het jaar 2100: maximaal 5.000 euro, gecorrigeerd voor inflatie. Nu nog verdient een inwoner van Sub-Sahara-Afrika gemiddeld 290 euro per maand, iemand in het rijke Westen zit met 4.000 à 4.500 euro al bijna op het streefniveau.
„De ambitie van het mondiale Zuiden om het welvaartsniveau van het Noorden te behalen, is sterker dan ooit. Hoe gaan we dit bereiken terwijl we de planeet leefbaar houden? Dit is centrale vraag van deze tijd. En die gaat niet verdwijnen.”
Groeien om het groeien kan niet meer, zeggen de onderzoekers. Ze spreken van sufficiency: een economische toestand waarbij het welvaartsniveau ‘genoeg’ of ‘toereikend’ is. Productiviteitsgroei en meer participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt moeten het mogelijk maken dat mensen gemiddeld minder uren werken, waarbij een verschuiving moet plaatsvinden van vervuilende industriesectoren als de vleesbranche naar minder vervuilende, zoals zorg en onderwijs. Hij benadrukt dat dit wat anders is dan het degrowth-denken, een stroming in de economische wetenschap die pleit voor een volledige stop op economische groei in rijke landen. „Niet de omvang van de groei is doorslaggevend, maar de samenstelling ervan.”
Om te voorkomen dat extra economische groei leidt tot meer vervuiling, moet die groei vooral worden ingezet om meer vrije tijd te creëren, vinden Piketty en zijn collega’s. De gemiddelde werkende wereldburger werkt nu zo’n 2.100 uur per jaar. Dit moet volgens de onderzoekers meer dan halveren, naar 1.000 uur per jaar aan het einde van deze eeuw. Dat komt ongeveer neer op een 25-urige werkweek met twaalf weken per jaar vakantie. Grondstofgebruik, emissies en landgebruik moeten zo worden beteugeld, want minder werken betekent volgens de auteurs uiteindelijk: minder produceren.
Meisjes spelen in zee in Buota, nadat springtij het dorp onder water heeft gezet. Buota maakt deel uit van de Republiek Kiribati, een eilandengroep in de Grote Oceaan die wordt bedreigd door een stijging van de zeespiegel. Begin jaren negentig is de zeespiegel er al gestegen met 5 tot 11 centimeter.
„Ik denk dat je dit keer ook heel brede mobilisatie en sociale strijd nodig hebt. Tegelijk is een grote reductie in werkuren al eerder vertoond. Het aantal uur dat wordt gewerkt in landen als Frankrijk of Nederland, is sinds het begin van de twintigste eeuw al van 3.000 naar ruwweg 1.500 uur gedaald. Als je dat in, pakweg, 1915 aan een fabriekseigenaar had verteld, zou hij – en de meeste economen met hem – je voor gek hebben verklaard. ‘Dat is krankzinnig, dit is verschrikkelijk, dan gaat de economie instorten.’ En dat is natuurlijk niet gebeurd”.
Piketty betoogt dat productiviteitsgroei een kortere werkweek met behoud van welvaart mogelijk maakt. Hij haalt een grote inspiratiebron aan, de econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Die schreef in 1930 in zijn beroemde lezing Economic Possibilities for our Grandchildren dat welvaartsgroei door technologische vooruitgang een werkweek van 15 uur toereikend zou maken. „Hij voerde het misschien wat ver”, geeft Piketty toe.
Maar dan rijst de vraag: worden mensen niet armer van korter werken? De onderzoekers zeggen van niet, of in elk geval niet zo erg als je zou denken. Vrije tijd heeft namelijk ook waarde. Als je niet werkt, en wel tijd doorbrengt met vrienden, is dat ook welzijn, al telt dat nu niet mee in het bbp. Piketty en zijn collega’s lossen dat op door de waarde van vrije tijd wél mee te nemen in hun berekeningen. Daaruit blijkt dat de toegenomen waarde van vrije tijd grotendeels het inkomensverlies door minder werken compenseert.
Het idee is dus: minder werken, minder spullen maken en kopen, minder CO₂ uitstoten, en meer tijd voor jezelf en je sociale leven. Of meer vrije tijd daadwerkelijk goed is voor de planeet, hangt volgens de groep denkers van het World Inequality Lab wel van af van wat mensen met die vrije tijd doen: „Meer vakantie kán heel schadelijk zijn als dat betekent dat mensen meer de wereld over gaan vliegen,” schreven ze onlangs in een korter artikel. Ook moet de 25-urige werkweek geen doel op zichzelf worden, maar alleen als die bijdraagt aan meer welzijn of minder klimaatverandering, waarschuwt hij. „Het heeft weinig zin om muzikanten of yogadocenten te dwingen minder te werken.”
Mensen moeten niet alleen mínder werken, ze moeten ook in ándere sectoren gaan werken. Industrie, bouw en energiebedrijven nemen nu het leeuwendeel van de economische productie voor hun rekening. De Franse econoom en zijn collega’s schrijven dat „immateriële sectoren”, zoals onderwijs en zorg, veel groter moeten worden: van ongeveer 11 procent van alle arbeidsuren nu naar 43 procent in 2100. „Zweden en Noorwegen zitten al op 30 à 35 procent, dus onmogelijk is dat niet.”
Piketty, fel: „Wat bedoelt u met ‘niet productief’? Ze produceren uw onderwijs en uw gezondheid.”
„Nee, nee, nee. Ze maken gewoon deel uit van het bruto binnenlands product. Zo werken nationale rekeningen al een eeuw.” [In de ‘nationale rekeningen’ wordt de omvang van de economie van een land gemeten, met het bbp als centrale indicator.]
„Betalen zichzelf terug? Onderwijs en zorg hebben waarde in zichzelf. U lijkt aan te nemen dat iets meer waarde heeft als de particuliere sector het levert.”
„Ik begrijp u echt niet. Als de helft van de bevolking onderwijs en zorg levert, en de andere helft voedsel en energie produceert, werken ze voor elkaar. De gedachte dat de ene helft de andere betaalt, maar niet andersom, is economisch heel merkwaardig.” Niet alleen de verdeling van geld moet volgens hem veranderen, maar vooral dus ook de bepaling van wat economisch waardevol is.
Als het gaat over fundamentele verschuivingen in de economie, gaat het tegenwoordig ook vaak over kunstmatige intelligentie. Die technologie zorgt ervoor dat automatisering versnelt, en dat banen mogelijk sterk veranderen of zelfs verdwijnen. Dat zou ook invloed kunnen hebben op arbeidsduur.
„Uiteraard. Overal ter wereld datacenters bouwen is zo’n beetje het slechtste idee dat er bestaat. Het verhoogt de uitstoot enorm. We moeten hier heel voorzichtig mee zijn. Veel van de mensen die hierop aandringen, de techmiljardairs en de trumpisten, geloven niet eens in klimaatverandering.”
„Je hóéft niet overal datacenters te bouwen. De materiële voetafdruk van onderwijs en zorg is per euro bbp drie tot vier keer kleiner dan die van de maakindustrie. Dáár liggen de kansen. Natuurlijk wordt in onderwijs en zorg ook technologie gebruikt. De discussie moet gaan om de intensiteit.”
„AI is niet nodig als apart element in onze modellen. Onze productiviteitsvoorspellingen zijn gebaseerd op historische trends. AI is daar onderdeel van. Sommigen voorspellen een enorme versnelling door AI. Veel economen geloven dat niet. Wij nemen gewoon de trend van de afgelopen decennia. Of de productiviteitsgroei onder invloed van AI nu 0,8 of 1,2 procent per jaar wordt, dat is niet het cruciale punt. Wat telt, is hoeveel van die groei je inzet in de materiële sector en hoeveel in de immateriële. Dáár valt de beslissing.”
Piketty verzet zich tegen wat hij „extractivisme” noemt: de gedachte dat landen gewoon door kunnen gaan met fossiele energie, grondstoffenwinning en economische concurrentie. „Wat we vandaag de dag in de wereld zien met ‘drill, baby, drill‘: dat gaat simpelweg niet werken. We móéten het echt hebben over alternatieve ontwikkelingsmodellen.”
„Net als veel andere mensen probeer ik het te beperken. Mijn dochters zijn wel vegetariër geworden. In onze voorspellingen hoeft rood vlees niet helemaal te verdwijnen; de consumptie moet flink dalen. En eerlijk gezegd is de grootste opgave voor Noord-Amerika, en in mindere mate Europa. De rest van de wereld eet gelukkig al veel minder rood vlees. Dus het hoeft helemaal niet zo moeilijk te zijn.”
De reikwijdte van het Global Justice Report is enorm. Minder werken dus, anders consumeren. Maar om de kloof tussen arm en rijk op de wereld de komende decennia te dichten, is volgens de auteurs nog iets anders nodig: niets minder dan een „nieuwe internationale orde”.
het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, instituties die in 1944 onder leiding van westerse landen werden opgericht, volstaan niet meer. Ze moeten op een radicaal andere manier gaan werken, of anders worden vervangen. Binnen IMF en Wereldbank hebben westerse landen naar verhouding van hun bevolkingsaantallen veel macht, de VS hebben er zelfs als enige een veto.
Het op te richten Global Justice Fund heeft een heel andere opzet: beslissingen moeten er „democratisch” worden genomen, staat in het rapport. De stem van elke wereldbewoner zou er even zwaar moeten tellen, anders dan in het „plutocratische” IMF- en Wereldbanksysteem waarin westerse landen meer te zeggen hebben.
Het Global Justice Fund zou de extra belastinginkomsten van ’s werelds ultrarijken moeten doorsluizen naar arme landen, die er klimaat-, onderwijs- en zorguitgaven mee kunnen doen. Het Global Justice Fund zou jaarlijks ruim 10 procent van het wereldwijde bbp investeren in klimaat- en ontwikkelingsprojecten. Ter vergelijking: de huidige ontwikkelingshulp van rijke landen en de financiering van IMF, Wereldbank en VN samen bedraagt 0,4 procent van het bbp. Veel te weinig, zeggen de auteurs: alleen al voor klimaatinvesteringen in arme landen is 3 à 4 procent nodig – en dan moet óók nog veel geld in onderwijs en gezondheid worden gestoken.
Het Global Justice Fund moet een aparte beleggingspoot krijgen die belangen neemt in bedrijven: een World Sovereign Fund, geïnspireerd op onder meer het Noorse staatsinvesteringsfonds. Het wereldwijde fonds zou rond de 10 procent van het mondiale kapitaal in handen krijgen en zo de rol van overheden in de economie versterken. Doelstelling moet zijn financieringsstromen „te verschuiven” naar duurzame doelen: meer windmolens, minder datacenters.
„Nou, ten eerste: dit is geen transfer van geld, dit gaat in feite over herstelbetalingen voor de werkelijke schade – klimaatschade en koloniale schade – die westerse landen in het mondiale Zuiden hebben aangericht. De bedragen die we noemen zijn dan nog steeds drie tot vier keer kleiner dan de schade die is toegebracht. Wat is als Westen precies je morele filosofie wanneer je schade toebrengt aan anderen en weigert die te betalen? We hebben het telkens over de westerse beschaving, over universele waarden. Oké, heel goed. Maar als westerse landen hun eigen handelen niet in overeenstemming brengen met hun universele waarden, hoe kan iemand ze dan nog serieus nemen? Dan moeten we niet raar opkijken wanneer zuidelijke landen de kant kiezen van China of Rusland, of eigen instituties oprichten.
„En als dat niet genoeg is: ik denk dat we écht een belang hebben in het voorkomen van 4 graden of meer klimaatopwarming. Als je landen in het Zuiden niet steunt, zullen ze voor hetzelfde ontwikkelingsmodel kiezen als wij, gebaseerd op fossiele brandstoffen. Dan liggen we op koers voor 4 à 4,5 graden opwarming, ofwel een klimaatcatastrofe.
Kiribati, na springtij. De eilandengroep loopt grote risico’s door de stijging van het zeewater.
„Nog een argument: wat gaan we doen aan het inkomensverschil tussen Europa en Afrika? Gaan we miljoenen drones laten vliegen boven de Middellandse Zee om mensen uit Afrika hier weg te houden? Is dát het ontwikkelingsmodel dat we nastreven?”
Piketty noemt recent academisch onderzoek, deels uitgevoerd door onderzoekers verbonden aan het World Inequality Lab, dat laat zien dat burgers in westerse landen wel degelijk het idee steunen om ultrarijken meer belasting te laten betalen én om daarvan klimaatbeleid in arme landen te financieren. „Mensen staan veel opener voor dit soort ideeën dan je zou denken”, zegt hij.
Bij de grootscheepse wereldwijde herverdeling die de auteurs voorstellen (waarbij de maandinkomens per hoofd van de bevolking in alle landen naar 5000 euro in 2100 toegroeien) zou 95 à 98 procent van de wereldbevolking erop vooruitgaan in inkomen. Alleen de rijkste toplaag zou moeten inleveren. Als je de winst van meer vrije tijd en het voorkomen leed door klimaatschade meeneemt, gaat zelfs 99 procent van de aardbewoners erop vooruit, schrijven de auteurs.
Het Global Justice Report, benadrukt Piketty, is geen blauwdruk, maar een manier om steviger te discussiëren over economische keuzes. Historisch gezien, staat in het rapport, kwam maatschappelijke vooruitgang tot stand na publiek debat op basis van discussie over politieke ideeën. De groep bouwde een open source-tool waarmee iedereen de data kan benutten om scenario’s te verkennen, zodat een breed debat mogelijk wordt. Scenario’s bijvoorbeeld waarin meer uren worden gewerkt, waarin de industrie blijft groeien en waarin de klimaatopwarming 4 graden of meer bereikt.
„Ik voel niet echt de inspiratie om u een merknaam te geven. Misschien ‘sociaal-democratie voor de 21ste eeuw’, of ‘ecologische sociaal-democratie’? Voor mij is het echt een voortzetting van de Europese sociaal-democratische agenda van de twintigste eeuw, maar dan op mondiale schaal en met de leefbaarheid van de planeet centraal gesteld”.
Met zijn co-auteurs denkt Piketty zijn model van „mondiale gerechtigheid” zelfs door tot in de monetaire sfeer. In het rapport staat: idealiter komt er een „centrale bank van de Verenigde Naties” die een „nieuwe internationale munt” zou moeten uitgeven. Daarmee moet de wereld extra financiële armslag krijgen. Het gaat hier niet om een betaalmunt, maar een reservemunt: een valuta die centrale banken of overheden in kas hebben.
Waarom is dit ook nog nodig? In zekere zin, relativeert Piketty, hééft de wereld al een internationale munt. Het IMF verleent landen financiële steun in de vorm van speciale trekkingsrechten (Special Drawing Rights, SDR’s). Dat zijn internationale valutareserves gedekt door een ‘mandje’ van harde valuta, waaronder de dollar en de euro. Vlak na de financiële crisis (2009) en tijdens de coronacrisis (2021) stelde het IMF al SDR’s ter beschikking aan de centrale banken van arme landen. Piketty: „In feite creëerde het IMF toen geld, en behoorlijk wat ook.” Vlak na de pandemie bereikte de hoeveelheid SDR’s in omloop bijna 0,7 procent van het wereldwijde bbp. „Dat is big money: meer dan de ontwikkelingshulp die nationale regeringen geven, zo’n 0,3 procent van het bbp.”
Door zulke grote crisisinterventies ontstaat eigenlijk al een nieuw internationaal monetair systeem, zegt Piketty. Dit soort crisisbestrijding door monetaire autoriteiten heeft nadelen, geeft hij toe: het verhoogt de inflatie en neemt de druk weg op regeringen om zélf te handelen. „Wij zeggen dan ook: het kan niet allemaal langs deze weg gaan.” Daarom is belastingheffing op ultrarijken in het rapport de voornaamste bron van financiering.
„Maar als je mijn voorspelling wilt: bij de volgende crisis, bijvoorbeeld een grote klimaatramp, is de monetaire route veel sneller en makkelijker dan miljardairs belasten, en komt er een nieuwe, mogelijk veel grotere uitgifte van SDR’s, misschien wel 2 of 3 procent van het wereldwijde bbp, of nog hoger.”
Liefst, zegt Piketty, hoeft de wereld niet te wachten op zo’n crisis. Maar hij vreest er wel voor. Hij haalt een bekende sciencefictionschrijver aan: Kim Stanley Robinson. „In zijn boek The Ministry for the Future is het politieke kantelpunt een verschrikkelijke hittegolf die miljoenen mensen doodt in India. Daarna krijg je ecoterroristen, vooral uit India, die vliegtuigen uit het [mondiale] Noorden neerschieten. Het wordt heel lelijk.”
In dat boek komt na die ramp de wereld in actie en worden eindelijk grote, noodzakelijke veranderingen doorgevoerd, waaronder de vorming van nieuwe, wereldwijde instituties. „Ik zeg niet dat dit per se zo gaat gebeuren. Ik denk, ik hoop, dat het ook minder gewelddadig kan.”