Voormalig Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib tijdens de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie over het coronabeleid.
Heeft de Tweede Kamer in het najaar van 2020 gereflecteerd op het eerste half jaar coronabeleid en de democratische controle op de harde maatregelen die het kabinet Rutte-3 oplegde? „Nee”, antwoordde oud-Kamervoorzitter Khadija Arib woensdagochtend tijdens haar verhoor in de parlementaire enquête corona.
En waarom niet? Arib: „Het was een zware periode. Reflecteren doe je pas als het voorbij is. Niet omdat we dat niet wilden maar iedereen was met zichzelf en zijn eigen omgeving bezig.” En toen kwam alweer de volgende coronagolf.
De Tweede Kamer werd, als organisatie, compleet overrompeld door de coronapandemie, bleek woensdag. Er lag in 2020 ook geen crisisplan voor zoiets. Wel voor fysieke dreiging, zoals actievoerders die de zaal zouden bestormen, maar níet voor een crisis door een besmettelijke ziekte. Daarom was de chaos groot in de eerste weken van de coronacrisis, in maart 2020, en wilden veel Kamerleden uit angst voor besmetting niet naar de Kamer komen. Er kon niet meer vergaderd of gestemd worden.
Toenmalig Kamervoorzitter Arib had daar moeite mee, vertelde ze. Zij wilde toen aan de samenleving laten zien, zegt ze, dat de Kamer het kabinet nog wel controleerde en dat de Kamer bijeen bleef komen. „Veel mensen in de samenleving gingen nog wél werken, bijvoorbeeld in supermarkten, en dan zouden wíj dat niet kunnen?” Er werd volgens Arib grote druk uitgeoefend om „helemaal niet te vergaderen.” Van wie die druk precies kwam, werd woensdag niet duidelijk. In elk geval wilden de fracties van de toenmalige coalitie (VVD, D66, CDA en Christenunie) volgens Arib niet vergaderen.
Tijdens een videocall tussen Arib en de voorzitters van alle Kamerfracties, op 15 maart 2020, toen de scholen en horeca van het kabinet direct dicht moesten, werd besloten dat de Kamer voortaan één keer per week zou vergaderen en dan alleen over corona. Andere onderwerpen, wetsvoorstellen en stemmingen kwamen dus tijdelijk helemaal stil te liggen.
Eén lid van het presidium (de leiding van de Tweede Kamer), Henk Nijboer (PvdA), heeft tegen de enquêtecommissie gezegd dat hij in het presidium duidelijk maakte dat hij wel degelijk over meer onderwerpen wilde blijven vergaderen. Of daar steun voor was in het presidium weet Arib niet meer, „het is zes jaar geleden.” Wel liet ze oud-premier Rutte in kaart brengen hoeveel wetsvoorstellen er nog lagen die met spoed moesten worden behandeld omdat er anders grote juridische of financiële gevolgen zouden zijn. „Zodra er een klein beetje versoepeling was, konden we die meteen behandelen.”
Op de vraag van enquêtecommissielid Dion Huidekooper (D66) waarom Kamerleden dan niet digitaal konden vergaderen, in plaats van fysiek, antwoordde Arib dat dat ongrondwettelijk zou zijn geweest. Er moet voor elk Kamerdebat en elke stemming een quorum van 75 leden plus één gehaald worden en dat kan volgens haar niet online. Debatten en stemmingen moeten, volgens de grondwet, ook openbaar zijn, en een onlinedebat – via teams of zoom – is per definitie niet openbaar. Een advies dat de toenmalige Eerste Kamervoorzitter hierover wilde vragen aan de Raad van State, met spoed, wilde Arib niet steunen. „Ik kan als voorzitter zoiets niet buiten de Kamer om aanvragen.”
En dus werd er één keer per week met zo veel mogelijk Kamerleden – minimaal 76 – alsnog fysiek vergaderd, over corona. Arib vindt dat dat „goed ging”. De enquêtecommissie zal daar in januari 2027 in haar eindrapport een oordeel over vellen en aanbevelingen doen voor de toekomst, zei enquêtevoorzitter Daan de Kort (VVD).
Kamerlid Annelotte Lammers (Groep Markuszower) vroeg: „Wat was de reden dat besmettingen voorrang kregen boven democratische controle? Arib: „Dat wás niet erboven. Maar gezondheid is heel belangrijk, voor ons allemaal. We voelden ons verantwoordelijkheid voor de gezondheid van iedereen in de Kamer en de medewerkers. En we hadden een voorbeeldfunctie: mensen moesten anderhalve meter afstand houden en mochten niet met twee mensen in de auto, wij dus ook niet. We probeerden een balans vinden tussen democratische controle en gezondheid.”