GGZ De voordelen van de vele ggz-praktijkondersteuners in Nederland zijn veel minder groot dan gedacht, blijkt uit onderzoek van econometrist Roger Prudon. Lang werd deze werkwijze gezien als de oplossing voor het verstopte ggz-systeem. „De vraag moet zijn: wat kunnen we doen om die 600.000 mensen wel te helpen?”
Therapieruimte in een ggz-kliniek.
In bijna elke Nederlandse huisartsenpraktijk kunnen mensen met mentale problemen terecht bij een zogeheten praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg (POH-GGZ). Die moet de druk op de ggz verminderen door mensen eerst te behandelen bij de huisarts, voor ze naar de gespecialiseerde ggz gaan. In de praktijk is het positieve effect daarvan veel minder groot dan gedacht, blijkt uit onderzoek van Roger Prudon, econometrist en universitair docent aan de Britse Lancaster University, woensdag gepubliceerd in economenvakblad ESB.
Zijn onderzoek wijst erop dat de inzet van praktijkondersteuners niet aantoonbaar helpt om de mentale gezondheid van Nederlanders te verbeteren. De invoering van de POH-GGZ heeft zelfs direct geleid tot meer druk op de zorg, durft Prudon „zeker wel” te stellen.
Praktijkondersteuners behandelen namelijk vooral mensen die eerst helemaal geen psychische hulp zouden krijgen voor hun problemen, ziet de onderzoeker. „Ik zie niet dat de groep die nu door de POH-GGZ behandeld wordt minder vaak in de ggz terechtkomt. De ernst van hun problemen is ook niet lager als ze bij de praktijkondersteuner zijn geweest.”
De zorgkosten dalen ook niet, zegt Prudon. Mensen die zowel de praktijkondersteuner als de ggz bezoeken ontvangen dubbele zorg. De behandeling die zij krijgen in de ggz is niet goedkoper omdat hun problemen niet afnemen, terwijl ze al een POH-GGZ hebben gezien. Prudon: „De gedachte was dat mensen door een praktijkondersteuner op termijn minder problemen krijgen. Dat vind ik niet terug.”
Zijn conclusie is opmerkelijk, want praktijkondersteuners werden door de overheid en verzekeraars gezien als oplossing voor de verstopte ggz – bekend om de lange wachtlijsten. Sinds 2008 worden deze ondersteuners massaal ingezet bij huisartsenpraktijken. Met bijna 9.000 praktijkondersteuners in 2023 is het aantal verdubbeld ten opzichte van 2016. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) schrijft op de website dat huisartsen „veel meer patiënten laagdrempelig” kunnen helpen door de inzet van een POH-GGZ in de praktijk.
De meeste praktijkondersteuners hebben een één- of tweejarige POH-opleiding gevolgd en hebben een achtergrond als doktersassistent of verpleegkundige. Zij moeten mensen met lichte klachten helpen zonder meteen een psycholoog in te schakelen – vooral door verdiepende gesprekken, soms door een behandeling of een verwijzing naar (specialistische) ggz. Ze zouden mensen helpen om de wachttijd voor specialistische hulp beter te overbruggen door regelmatig over problemen te spreken.
Hulp van een psycholoog of een ggz-instelling wordt sinds 2014 niet in de basisverzekering vergoed, de praktijkondersteuner wel. Daarom zou de POH-GGZ het makkelijker moeten maken om mentale ondersteuning te zoeken voor een grotere groep mensen.
Tussen 2011 en 2021 steeg het aantal gebruikers van POH-GGZ van 100.000 naar 600.000 mensen per jaar. „In dezelfde periode is het aantal patiënten binnen de basis- en de gespecialiseerde ggz ongeveer constant gebleven”, schrijft Prudon in zijn publicatie.
Prudon kreeg voor zijn onderzoek gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (Nivel). De dataset telt 1,2 miljoen mensen die tussen 2011 en 2021 een huisartsenconsult hebben gehad voor hun mentale gezondheid. Van deze groep ontvingen ongeveer 400.000 mensen een vorm van behandeling voor hun mentale problemen in het eerste jaar nadat ze naar de huisarts zijn gegaan.
Op basis van de gegevens concludeert Prudon dat patiënten binnen twee à drie jaar geen betere gezondheid ervaren door gesprekken met de praktijkondersteuner. Gezondheidsverschillen worden ook niet minder door de aanwezigheid van de POH-GGZ: mensen die al relatief veel gebruikmaakten van ggz-zorg, gaan ook vaker naar een praktijkondersteuner, ziet Prudon. Praktijkondersteuners zijn minder populair onder mensen die weinig beroep doen op de zorg.
Eerder onderzoek van Prudon toonde dat de kans op het vinden van werk kleiner wordt door elke maand die iemand moet wachten op gespecialiseerde ggz – ook voor die arbeidsmarktpositie biedt de POH-GGZ volgens dit onderzoek geen verbetering.
De onderzoeker zou de praktijkondersteuner ondanks deze bevindingen niet zomaar afschaffen, zegt hij. „De vraag moet zijn: wat kunnen we doen om die 600.000 mensen wel te helpen?” In september bleek uit een onderzoek van de Rijksoverheid dat bijna de helft van de Nederlanders mentale problemen ervaart, en dat steeds meer mensen hulp zoeken voor psychische problematiek.
De oplossing is mogelijk „budgettair”, denkt Prudon. De POH-GGZ kost elk jaar 360 miljoen euro – een hoop geld voor de „beperkte gezondheidseffecten” die hij ziet. Dat geld kan beter op een andere plek in de ggz worden geïnvesteerd, denkt de onderzoeker. Bijvoorbeeld door de capaciteit van ggz-instellingen uit te breiden en wachtlijsten terug te dringen.
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want „we weten niet precies hoe we wachtlijsten kunnen inkorten”, zegt Prudon. Het kan volgens hem helpen om de ‘financiële prikkel’ voor ggz-instellingen te veranderen. Gespecialiseerde instellingen behandelen vaker patiënten met minder zware problemen omdat die zorg goedkoper is. Dat is een groeiend probleem en een van de oorzaken van de lange wachtlijsten. Prudon: „Als je dat zou veranderen, kunnen de wachtlijsten mogelijk krimpen.”
De gemiddelde wachttijd voor een behandeling is voor alle vormen van geestelijke gezondheidszorg langer dan de toegestane 14 weken. Mensen met complexe psychische problemen wachten het langst op zorg: in de specialistische ggz kon de wachttijd in mei oplopen tot 32 weken, voor minder ernstige klachten in de basis ggz moesten mensen tot 17 weken wachten. In april is ‘Stichting Recht op ggz’ een rechtszaak begonnen tegen de Nederlandse Staat vanwege die lange wachtlijsten. De overheid zou volgens de stichting mensenrechten schenden door patiënten met ernstige psychische aandoeningen zo lang op hulp te laten wachten.