Wat verklaart het oprukken van radicaal-rechts in Europa? Antwoord A: veel mensen zijn nou eenmaal klaar met immigratie. Antwoord B: veel mensen zijn nou eenmaal racistisch. Antwoord C: het ligt allemaal een stuk gecompliceerder.
In haar nieuwe boek De symfonie van onvrede construeert politicoloog Catherine de Vries een uitgebreide variant van antwoord C. Bouwend op onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk, Italië, Frankrijk, Duitsland en Nederland legt ze de opkomst van radicaal-rechts in verband met het terugtrekken van de staat vanaf de neoliberale jaren tachtig. Buslijnen verdwenen en gemeenteloketten werden gesloten; burgers bleven achter met een gevoel van verlies en miskenning. Politici maakten migranten tot de schuldigen voor alles wat we kwijtraakten, en zo stegen radicaal-rechtse partijen tot grote electorale hoogten.
Als antwoord op een multiplechoicevraag op een tentamen voor politicologiestudenten zou het bovenstaande verhaal te lang zijn, maar als beschrijving van de complexe achtergrond van de opmars van radicaal-rechts is het boek van De Vries zeker lezenswaardig. Mooi is dat ze haar academische betoog verbindt aan haar behoefte om te begrijpen waarom haar vader de laatste jaren van zijn leven op de PVV stemde. Wil de overheid het vertrouwen van mensen als hij terugwinnen, oppert De Vries, dan is het sleutelwoord ‘nabijheid’. Zo pleit ze voor publieke investeringen en fysieke loketten bemand door warmbloedige wezens. „De staat weer zichtbaar maken op de kruispunten van het dagelijks leven”, zo lees ik in de epiloog.
Bij die laatste woorden blijf ik hangen. Zou dat het zijn waar afgehaakte burgers naar verlangen? Een overheid die ‘nabijer’ is? Voor een deel van die burgers ongetwijfeld. Maar was het voor sommigen niet juist de ervaring van een overheid die té dichtbij kwam, waardoor ze het vertrouwen in de staat opzegden?
Deze vraag dringt zich op terwijl mijn tijdlijn volstroomt met commentaren op de openbare verhoren in de parlementaire enquête over corona. Vijf jaar na het einde van de avondklok en vier jaar na de opheffing van het coronatoegangsbewijs blijken de emoties die de maatregelen destijds opriepen bij velen nog altijd niet geluwd. Zoom ik in op die emoties, in plaats van alle complottheorieën en verwensingen richting politici en wetenschappers die voorbijkomen in de vele reaguursels, dan herken ik daarin interessant genoeg precies de soort gevoelens die De Vries in haar boek probeert te duiden: gevoelens van verlies en miskenning.
Alleen komen die gevoelens bij de mensen achter de berichten op mijn scherm niet doordat de overheid te ver weg was, maar juist doordat de staat verder het privédomein is binnengedrongen dan ze ooit hadden kunnen denken. Als ze zich niet lieten vaccineren, bleek de staat hen uit het maatschappelijk leven te verbannen.
Waar zijn deze mensen politiek geland sinds de pandemie? Lang niet allemaal bij rechts-populistische partijen natuurlijk, en daarom vind ik het niet per se onbegrijpelijk dat De Vries de coronacrisis vrijwel volledig weglaat uit haar boek. Toch toont een recente studie aan dat de pandemie in West-Europa wel degelijk heeft geleid tot een toename in de steun voor populisten, en dat afkeer van de coronamaatregelen één van de factoren vormt die de toegenomen steun verklaart.
Ik denk niet dat dit onderzoek de these van De Vries onderuithaalt. Haar betoog verdient wel aanvulling. Antwoord C moet misschien nog gecompliceerder: vervreemding van de staat ligt op de loer wanneer de overheid burgers aan hun lot overlaat, maar óók wanneer de overheid hun te weinig ruimte laat om hun eigen lot te bepalen.
Een van de redenen waarom het boek van De Vries me raakt is dat haar verhaal over dierbaren die zich afkeren van de politieke mainstream pijnlijk herkenbaar is. Ik heb het door de pandemie in eigen kring zien gebeuren. Je hoeft afgehaakte burgers uiteraard niet in alles gelijk te geven, ook dierbaren niet. Maar laten we hun onvrede tenminste proberen te begrijpen, in al zijn complexiteit.