Kansenongelijkheid In 2021 werd de ouderbijdrage voor scholen vrijwillig. Nu hebben veel scholen minder geld en schrappen activiteiten – vooral scholen met leerlingen uit gezinnen met geldzorgen. Onderzoekers stellen dat dit kansengelijkheid ondermijnt. Staatssecretaris Judith Tielen (VVD) gaat woensdag in debat met de Tweede Kamer.
Een leerling op het Kempenhorst College in Oirschot (komt niet voor in het artikel).
Geen enkel kind zou een schoolreisje om financiële redenen moeten missen. Dat was het idee achter de wetswijziging uit 2021 die de ouderbijdrage voor zulke activiteiten vrijwillig maakte. Zo zou de kansengelijkheid worden bevorderd, want kinderen wier ouders het niet kunnen betalen zouden niet langer worden uitgesloten van extracurriculaire activiteiten.
Vijf jaar later lijkt dat doel behaald, concluderen onderzoekers die de wet evalueerden voor het ministerie van Onderwijs. Maar er is een keerzijde. Sommige scholen moeten nu activiteiten schrappen of versoberen, omdat ze minder geld binnenkrijgen. En dan vooral scholen waarbij de ouders van leerlingen minder te besteden hebben.
Het stelt schooldirecteuren voor lastige keuzes: slaan we dit jaar culturele activiteiten over zodat we op schoolreisje kunnen? Of gaan we met eigen vervoer in de buurt op excursie om vervoerskosten te besparen? Of gaan we een jaar niet op schoolkamp, in de hoop dat volgend jaar weer te kunnen betalen? „Het doel om kansengelijkheid te bevorderen, wordt op deze manier niet behaald”, staat in de wetsevaluatie.
Carina Veen, directeur van De Sterren in Hoogezand, een school voor speciaal basisonderwijs, stopte na de wetswijziging met het vragen van een vrijwillige ouderbijdrage. De gezinnen van de kinderen van De Sterren kennen veel armoede-gerelateerde problemen. „Als ik van dertig ouders 20 euro krijg, is dat een druppel op de gloeiende plaat”, zegt Veen. Met de paar honderd euro die ze uit de bijdrage zou ontvangen, die ook nog eens jaarlijks varieert, kan ze voor haar leerlingen geen gedegen keuzes maken.
Het is niet dat ouders het niet wíllen betalen, maar ze kúnnen het gewoon niet, zegt Marthe van den Boer, directeur van SBO Merlijn, een basisschool voor speciaal onderwijs in het Haagse Laakkwartier. „Het is voor veel ouders kiezen tussen een week boodschappen doen of bijdragen aan schoolactiviteiten.” Ze voelt zich dan ook bezwaard om het te vragen, maar doet het toch. De bijdragen die binnenkomen, van 10 tot 20 procent van haar leerlingen, noemt ze „mooi meegenomen.”
„Nu bijna niets meer wordt bijgedragen, moet ik keuzes maken in het nadeel van de kinderen”, zegt Van den Boer. De schooldirecteur benadrukt het belang van excursies, die de horizon van haar kinderen verbreden. „Veel kinderen komen anders de wijk niet uit. Als we naar de zee gaan – en dat is hier om de hoek – is dat voor hen een bezoek aan een compleet andere wereld”, aldus Van den Boer.
SBO Merlijn bezuinigde op het schoolkamp. Dit jaar gaat alleen de bovenbouw, komend jaar slaat de hele school het kamp over. „Het is kiezen tussen twee kwaden”, zegt ze: of ze schrapt speciale steun voor leerlingen die extra aandacht behoeven, of ze bezuinigt op activiteiten voor de hele school. „Ik kan het geld maar één keer opmaken”, zegt de directeur, die door de teruglopende ouderbijdrages overal „met de kaasschaaf” overheen moet.
Het Jeugdeducatiefonds, dat kinderen die opgroeien in armoede ondersteunt via basisscholen, krijgt steeds meer aanvragen van scholen voor hulp bij het mogelijk maken van een schoolreis of –kamp. In het schooljaar 2021-2022, het eerste jaar na invoering van de wet, kwamen achthonderd aanvragen binnen voor in totaal ruim 800.000 euro, eind vorig schooljaar waren dat 2.200 aanvragen voor 3,6 miljoen euro. Eind mei staat de teller voor dit schooljaar op 3.300 aanvragen voor in totaal 4,7 miljoen euro.
„Het is goed dat kinderen niet meer thuis hoeven te blijven als hun ouders het schoolreisje niet kunnen betalen, dat was echt heel schrijnend”, zegt Mariëlle Arnoldus, beleidsmedewerker van het Jeugdeducatiefonds. „Maar dat hele klassen nu alleen nog met steun van ons of helemaal niet meer op schoolreisje kunnen, daarvan moet de overheid niet wegkijken.”
Woensdag gaat de Tweede Kamer met staatssecretaris Judith Tielen (Onderwijs, VVD) in debat, onder andere over de gevolgen van de wetswijziging uit 2021. Om de vrijwillige ouderbijdrage succesvol af te kunnen schaffen, zou het Rijk structureel geld moeten bijleggen, „om te voorkomen dat het aanbod van activiteiten op scholen verschraalt”, schrijft Tielen. Maar voor geld is „geen dekking” in de begroting, schrijft de staatssecretaris aan de Kamer.
Een optie die volgens Tielen soelaas kan bieden, is een ‘bovenschools fonds’. Daarbij zouden de vrijwillige ouderbijdragen over scholen worden verdeeld – rijker betaalt dan mee voor arm. „Dan is de bereidheid om te betalen wel weer een stuk lager”, stelt Arnoldus van het Jeugdeducatiefonds. Mensen betalen minder snel voor kinderen waar ze geen binding mee voelen, blijkt uit onderzoek. Het Jeugdeducatiefonds roept de staatssecretaris daarom op extra te investeren in scholen met veel leerlingen uit gezinnen met geldzorgen.
Daarbij vindt het Tweede Kamerlid Marjolein Moorman (PRO) aan haar zijde. Moorman maakte zich als wethouder in Amsterdam hard voor kansengelijkheid en beperkte de maximale ouderbijdrage. „Er zijn heel grote verschillen tussen scholen”, weet Moorman. „Onderwijs zou niet moeten afhangen van een ouderbijdrage. De overheid is verantwoordelijk voor goed onderwijs en wat mij betreft horen daar excursies en schoolreisjes bij.”
Onderliggend ziet Moorman een fundamentele kwestie. „Je wilt dat onderwijs gelijke kansen biedt. Maar als dat wordt bepaald door de portemonnee van je ouders, is dat niet het geval.” Ze noemt het „een politieke keuze om mensen met een groot vermogen niet verder te belasten, terwijl kinderen die opgroeien in armoede wél hun schoolreisje wordt ontnomen”.