Moederschap Rondom het moederschap overheersen sombere doemverhalen, schreef Milou Deelen pas in NRC. Maar volgens Justine Feitsma is het juist belangrijk dat er naast de blije aspecten óók aandacht is voor de minder leuke kanten van het jonge ouderschap.
Blije verhalen over het moederschap krijgen steeds minder ruimte, schreef publicist Milou Deelen onlangs in NRC. Nu is het haar gegund dat zij zeven maanden na haar bevalling gelukkig en energiek door het leven gaat. Maar Deelens stelling, namelijk dat het dominante beeld van moederschap te somber is geworden, klopt niet. En ze miskent daarmee iets kostbaars.
Justine Feitsma is bestuurslid bij vakbond CNV en jonge moeder.
Want dat we nu óók de zware verhalen vertellen, is geen doorgeslagen negativiteit. Het is een overwinning. Jarenlang moesten moeders stralen. Wie zei dat het zwaar was, leek ondankbaar. Als moeder moest je op het werk vooral niet laten blijken dat je ergens mee worstelde, want afwijken van de man kon je carrière verwoesten.
Dat we nu zeggen dat moederschap mooi én uitputtend kan zijn, is geen aanval op het blije verhaal. Dat is de ruimte die we bevochten hebben. Die moeten we niet weggooien omdat ze sommige mensen ongerust maakt.
Allereerst ontbreken in haar verhaal de echte cijfers. Vakbond CNV, waar ik bestuurder ben, deed onderzoek onder duizend werkende moeders. De helft is in het eerste jaar na de bevalling chronisch moe. 10 procent krijgt een burn-out. 12 procent een depressie. 14 procent meldt zich regelmatig ziek. 88 procent krijgt geen enkele praktische ondersteuning van de werkgever. En bij twee op de drie was er geen mogelijkheid om werktijden af te stemmen op de baby.
Dit zijn geen vrouwen die puur voor de aandacht het moederschap somber inkleuren. Dit zijn vrouwen die na hun bevallingsverlof terugkeren op een werkvloer die doet alsof er niets is veranderd. Die ’s nachts drie keer opstaan en overdag moeten presteren alsof ze uitgerust zijn, omdat dat van hen wordt verwacht. Als er geen flexibiliteit is, geen begrip of misschien geen vangnet, is het heel zwaar om alle ballen in de lucht te houden.
Deelen erkent dat zelf ook: zij heeft geld, een betrokken partner, een sociaal netwerk, een makkelijke baby. Ze stapt er snel overheen, maar die factoren zijn geen bijzaak. Ze zijn de kern.
Ten tweede ontbreken veel vrouwen in het gesprek. Deelen erkent dat vooral mensen zoals zij – schrijvende, hoogopgeleide vrouwen – het publieke gesprek over moederschap voeren. Dat gesprek voert ze op Instagram, in NRC, in boeken. Maar de verpleegkundige, de schoonmaakster, de juf en de medewerker in de kinderopvang horen we niet. Niet omdat het hun goed afgaat, maar omdat ze geen platform hebben en omdat ze werken in beroepen zonder flexibiliteit, zonder thuiswerkoptie, zonder leidinggevende die vraagt hoe het gaat.
Juist uit deze sectoren is er een hoge instroom van jonge vrouwen in de WIA, de uitkering voor wie langer dan twee jaar door ziekte niet kan werken. Dat zegt genoeg. Voor hen is het probleem niet dat er te veel wordt gepraat over hoe zwaar het is. Voor hen is het probleem dat er te weinig verandert op de werkvloer.
Is het narratief doorgeslagen? De verhalen die Deelen als te zwaar ervaart, zijn voor veel vrouwen simpelweg hun leven. Die openheid, namelijk dat we nu hardop zeggen dat het mooi én zwaar kan zijn om moeder te zijn, is de zwaar bevochten buit die we moeten vasthouden.
Blij zijn over je baby en tegelijkertijd erkennen dat onze maatschappij jonge moeders op allerlei manier tekortdoet, zijn twee zaken die elkaar niet uitsluiten. Een werkgever die vraagt hoe het met je kindje gaat, die ruimte geeft in het eerste jaar, die een collega aanwijst als vertrouwenspersoon: juist door de moeilijke aspecten van het moederschap goed op te vangen, schep je de randvoorwaarden voor het blije moederschap.
Nogmaals: we moeten het moederschap niet als ramp presenteren. Maar we zouden onszelf óók niet moeten dwingen om te kiezen tussen de roze en de donkere wolk.