Lezersbrieven U schreef ons over anonimiteit bij FvD’ers, leuke mannen, muzikale complexiteit en overoptimistische columns.
Maarten Boudry maakt zich zorgen. In NRC (22/5) schrijft hij dat een deel van zijn anti-wokemedestanders is ontspoord. Mensen die begonnen als verdedigers van vrije meningsuiting en academische vrijheid, zijn neergestreken bij Trump, Orbán of radicaal-rechts. James Lindsay, Jordan Peterson, Ayaan Hirsi Ali, Christopher Rufo: hij noemt ze bij naam. Hun afkeer van woke heeft hen naar een plek gebracht waar ze in autoritaire figuren redders zijn gaan zien.Dat is een eerlijke vaststelling. Een deel van het anti-wokekamp heeft het al lang niet meer over liberalisme of waarheid. De drijfveer is wraak. Boudry ziet dat en hij benoemt het scherp: Trump en Orbán zijn illiberaal, hun pleidooien voor academische vrijheid zijn ongeloofwaardig.Maar Boudry’s eigen analyse draait om een formule die hij zorgvuldig van Trump probeert te onderscheiden. Zijn redenering is niet: Trump redt ons van woke. Zijn redenering is: alleen het einde van woke kan ons redden van Trump. Dat klinkt beschaafder. Maar het is dezelfde brug, met een liberale reling.Wie draagt in deze redenering de verantwoordelijkheid voor de opmars van autoritair rechts? Niet de politici die transrechten intrekken bij decreet. Niet de miljardairs die nieuwsmedia opkopen. Niet de columnisten en podcasters die ‘woke’ jarenlang hebben opgeblazen. De schuld belandt opnieuw bij de mensen die al het zwaarst worden getroffen: trans mensen, migranten, antiracisten, feministen en klimaatactivisten.
Boudry noemt het trans beleid van Kamala Harris als voorbeeld. De slogan „Kamala is for they/them, Trump is for you” is volgens hem een electorale voltreffer. Ook beschrijft hij ‘woke-obsessies’ in de sportwereld als begrijpelijke bronnen van irritatie die burgers richting een gevaarlijk leider kunnen duwen. Denk bijvoorbeeld aan de uitsluiting van darter (en trans vrouw) Noa-Lynn van Leuven uit vrouwentoernooien, nadat er paniek in de Britse pers losbarstte.Dat is geen analyse. Dat is een verschuiving van de schuldvraag. Wat hier tussen de regels door wordt gezegd: dat iemand als Noa-Lynn van Leuven beter niet te zichtbaar had moeten zijn. Dat de vrijheden van minderheden tactisch moeten worden getemperd zodat de meerderheid minder geïrriteerd raakt. Boudry veroordeelt de brandstichter, maar blijft uitleggen dat de slachtoffers beter niet zo dicht bij het vuur kunnen staan.Natuurlijk maken progressieve bewegingen fouten: slechte slogans, moralistische reflexen, strategische vergissingen. Daarover moet gesproken worden en dat gebeurt ook steeds meer. Maar ‘woke’ is allang geen beschrijving meer van excessen. Het is een vergaarbak: klimaatbeleid, antiracisme, trans rechten, universiteiten. Dat wordt niet alleen door Trump geproduceerd, maar ook door mensen die hem zeggen te verafschuwen.
Het werkelijke liberale antwoord op Trumpisme is niet: progressieven moeten hun dwaasheden opruimen voor de meerderheid van streek raakt. Het antwoord is: minderheden zijn niet verantwoordelijk voor de woede die tegen hen wordt georganiseerd. Dat Noa-Lynn van Leuven darts speelde, heeft de trans haat niet ontketend. De causale keten die Boudry tekent: woke-overdrijving leidt tot rechtse woede, leidt tot autoritaire politiek, normaliseert precies de logica die hij zegt te bestrijden.
Wie steeds opnieuw suggereert dat trans rechten of antiracisme de burger naar extreemrechts drijven, formuleert een eis: geef ons minder gelijkheid, anders stemmen wij op de man die haar afbreekt. Dat is geen politieke analyse. Dat is chantage.Selm Merel Wenselaers Amsterdam
Kranten besteden veel aandacht aan de manosfeer. En dat is begrijpelijk, want het is zorgelijk dat veel jongens zich aangesproken voelen door die ‘winnaars’ met hun naargeestige boodschap dat 80 procent van de vrouwen kiest voor de mannen met spierbundels en geld.
Maar het zou fijn zijn als de kranten ook aandacht besteden aan het gegeven dat het gewoon niet waar is. De overgrote meerderheid van de vrouwen kiest voor aardige mannen, waar ze mee kunnen praten en die niet denken dat vrouwen hun bezit zijn dat ze met geweld moeten controleren.
En dat is begrijpelijk. Want vrouwen hebben geen spierbundels nodig om ze te beschermen tegen de boze buitenwereld. Integendeel, hun grootste bedreiging komt van de hulk waarmee ze hun leven delen.
Dus vrouwen, ga vooral door waar jullie mee bezig zijn. Dan sterft Homo Opgepomptus vanzelf uit. En ga intussen op zelfverdediging om de beklagenswaardige restanten van de soort die nog rondzwerven aan te kunnen. En kranten, steek die aardige jongens een hart onder de riem: zij zijn de toekomst.
Chris Peeters Nijmegen
Het artikel uit Scientific Reports dat in NRC werd besproken (22/5) is technologisch indrukwekkend, maar theoretisch onthutsend naïef. De auteurs analyseren twintigduizend MIDI-bestanden als netwerken van noten en overgangen en presenteren de uitkomst als maat voor ‘muzikale complexiteit’. Maar wat hier complexiteit heet, is vooral variatie in toonhoogte-overgangen: welke toets volgt op welke toets. Dat is een wel erg smalle bril om naar muziek te kijken. Wie muziek reduceert tot toonhoogtenetwerken, vindt uiteindelijk vooral patronen in toonhoogtenetwerken. Dat is geen ontdekking, maar een cirkelredenering met een wiskundige glans.
Ook het gebruik van MIDI-bestanden wringt. Een in de jaren tachtig ontwikkeld communicatieprotocol voor elektronische toetsinstrumenten: welke toets wordt wanneer ingedrukt, hoe hard, en hoe lang. Ritme, metrum, dynamiek, articulatie, timbre, meerstemmingheid, vormopbouw – de dimensies waarin veel muziek haar spanning, identiteit en emotionele werking ontleent – spelen nauwelijks of geen rol. Een Bach-fuga, een Javaanse gamelancompositie of een solo van John Coltrane zijn hopeloos verloren.
De conclusie dat muziek door de tijd heen eenvoudiger zou zijn geworden, is daarom veel te fors. Misschien is complexiteit niet verdwenen, maar verplaatst: van noot naar timing, timbre, productie en sound.
Henkjan Honing Emeritus hoogleraar muziekcognitie
Christoph Finkensiep Universitair Docent, generatieve AI en muziek
Ophef over een 18-jarig lid van Forum voor Democratie in de gemeente Alkmaar. Hij heeft op TikTok een ‘white power’-teken gemaakt (19/5). Op zijn LinkedIn-profiel wappert de Prinsenvlag. Ontkenning in alle toonaarden, zowel door de 18-jarige zelf als zijn partij. Business as usual, zou je zeggen.
Ware het niet dat het hier om een FvD’er gaat die als steunraadslid zijn fractie bijstaat in diverse commissies. NRC heeft besloten niet de naam te noemen van het desbetreffende lid. Reden: hij is nog jong.
Dat vind ik een vreemd argument. Hij is volwassen voor de wet, werkt binnen een openbaar bestuurlijk orgaan en heeft de eed gezworen dat hij zich aan de grondwet houdt. Daarnaast deelt hij zijn voorliefde voor radicaal-rechts op sociale media. Ik zie geen enkele reden om zijn naam niet te vermelden. Als we het kwaad willen bestrijden, zullen we toch echt namen en rugnummers nodig hebben.
Jos Groenenboom Maassluis
Ik las het overoptimistische ‘en-en’-stukje van Caroline de Gruyter (22/5) over het samengaan van stijgende defensie-uitgaven met de handhaving, of zelfs verbetering van wat er over is van de Nederlandse sociale verzorgingsstaat. En ik geloof er helemaal niks van.
Mij staat vooral de crisis van een jaar of vijftien geleden nog helder voor de geest. Toen de ‘sociaaldemocraten’ in het kabinet Rutte II, minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem voorop, de economie dachten te redden door maatregelen die eerder van de botte bijl dan van de kaasschaaf leken te komen. Maatregelen die vooral de werkenden raakten, en die zo ingrijpend waren dat de Nederlandse economie veel trager en veel later dan die van andere landen uit het dal kroop. Winsten en vermogens werden, zoals altijd, uit de wind gehouden,
Nu we een kabinet hebben dat weliswaar de naam van D66-leider Rob Jetten draagt, maar dat wat beleid betreft vollédig door de VVD van Dilan Yeşilgöz en Eelco Heinen lijkt te zijn gegijzeld, heb ik er dan ook helemaal geen vertrouwen in dat de lasten van die guns ánd butter-policy van u evenredig, en dus naar draagkracht, worden verdeeld.
Kortom, mevrouw de Gruyter, u mag wat mij betreft alle sociologen die u kent uit de kast trekken, maar misschien moet u vooral Karl Mannheim er nog eens op nalezen: uw stukje druipt van wishful thinking.
Klaas Slooten Amsterdam