Tweede Wereldoorlog Lucas Ligtenberg verzamelde en beschreef de briefjes die gedeporteerden tijdens de oorlog uit de trein gooiden voor de achterblijvers. Dat levert aangrijpende verhalen op.
Geïnterneerden uit doorgangskamp Westerbork staan te wachten bij de goederenwagons van een trein om gedeporteerd te worden, september of oktober 1942.
Op 2 juli 1942, middenin de oorlog, was de Joodse turnleraar en fysiotherapeut Abraham Prins op weg naar een cliënt in Nieuwendam. Als gemengd gehuwde was hij vrijgesteld van deportatie, wel moest hij een Jodenster dragen. Fietsend door een park in Amsterdam-Noord werd hij ineens aangehouden door de politie: het park was voor Joden verboden. Hij kreeg een bekeuring en mocht naar huis, onder voorwaarde dat hij zich op 12 juli zou melden op het politiekantoor in Amsterdam. Ondanks waarschuwingen en een aanbod om onder te duiken, gehoorzaamde hij – met fatale gevolgen.
Lucas Ligtenberg: Van hier de laatste groeten. Briefkaarten uit de trein 1940-1945. Van Oorschot, 335 blz. € 23,50
Drie dagen later bevond Prins zich in een trein van Westerbork naar Auschwitz. In de buurt van Hoogezand (Groningen) gooide hij een briefkaart uit de trein. „Sterkte vrouwke”, schreef hij aan zijn echtgenote in Krommenie. „Laat zus zich liever verdrinken dan dit mee te maken. Gelukkig dat jullie hier niet bent. Leef wel. Tot ziens. Sterkte. Wees lief voor elkaar.” Het briefje werd door een voorbijganger langs het spoor gevonden en op de post gedaan. Het was Prins’ laatste levensteken, waarschijnlijk werd hij direct bij aankomst in Auschwitz vermoord.
Prins maakte onderdeel uit van de eerste ‘Jeud’ntrain’, zoals de transporten uit Westerbork naar Midden- en Oost-Europese vernietigingskampen in Gronings dialect werden genoemd. Er zouden er nog 96 volgen. En in al die transporten, veelal goederentreinen volgestouwd met Joden, Sinti en Roma, gooiden mensen vlak voor de Duitse grens briefjes naar buiten: een laatste bericht aan de achterblijvers, geschreven op brief- en ansichtkaarten, maar ook op vloeitjes, wc-papier of ongedefinieerde vodjes. Het moeten er in totaal zo’n 15.000 zijn geweest, schat journalist Lucas Ligtenberg, die onder meer voor NRC werkt. Veel zijn er verloren gegaan, maar hij heeft er toch zo’n driehonderd weten te verzamelen en beschreven in zijn boek Van hier de laatste groeten. Het zijn stuk voor stuk aangrijpende briefjes, vooral omdat we nu weten dat de overgrote meerderheid van de afzenders nog maar enkele dagen te leven had.
Ligtenberg zoekt naar overeenkomsten tussen de briefjes. De term die zonder twijfel het meest voorkomt is ‘flink’. Briefjesschrijvers lieten het thuisfront weten dat ze zich flink hielden in de trein, en ze riepen op om dezelfde houding aan te nemen. „Wij zijn flink en dat moet moeder ook zijn, hoor.” Ook schreven ze vaak goede moed te hebben. Ze hoopten in de kampen bekenden of familieleden te zien en binnen afzienbare tijd weer terug naar Nederland te komen. Sommigen deden het zelfs voorkomen alsof ze een soort schoolreisje maakten. „Leuk gezelschap, volop voer, dus stemming reusachtig”, schreef Herman Wertheim vanuit de trein naar Auschwitz. Drie maanden later was hij dood.
Een briefje dat in de oorlog uit een trein richting het oosten werd geworpen, met daarop de woorden ‘Het gaat goed’.
Volgens Ligtenberg vormen de briefkaartenschrijvers een unieke categorie ooggetuigen van de oorlog, omdat ze in tegenstelling tot dagboekenschrijvers geen mogelijkheid hadden tot reflectie. Ze schreven vanuit de emotie van het moment, en juist daarom zouden hun berichten van belang kunnen zijn voor een van de grote discussies die onder oorlogshistorici de afgelopen jaren heeft gewoed: wat was er in Nederland tijdens de oorlog bekend over het lot van de naar ‘het oosten’ gedeporteerde Joden? Ligtenberg is stellig: de briefjes zouden volgens hem laten zien dat er niets bekend was over de massavernietiging, en dat de gedeporteerden vrijwel geen accurate informatie hadden over hun bestemming.
Er zijn inderdaad veel aanwijzingen dat de gedeporteerden geen zekerheid hadden over het feit dat de meesten bij aankomst direct vergast zouden worden. Maar de briefjes zijn niet eenzijdig te interpreteren. Want anders dan dagboeken waren de berichten bedoeld om door anderen te worden gelezen. Veel briefjes dienden ertoe om de achterblijvers gerust te stellen – misschien wel tegen beter weten in.
Daarnaast zijn er talrijke voorbeelden van wanhoop en uitzichtloosheid die in de briefjes doorklinken. „Hannie, we zullen elkaar nooit meer zien”, liet Elly Lobe aan haar vriendin weten. En de moeder van P.U. Bakker schreef aan haar zoon: „Dag voor eeuwig.” Juist dit soort mededelingen tonen aan dat onder een significant aantal gedeporteerden wel degelijk het besef aanwezig was dat ze in de trein hun dood tegemoet gingen.
Ligtenberg heeft minutieus de personalia en het lot van de briefschrijvers uitgezocht. Dat is lovenswaardig, want hij onttrekt ze daarmee uit de mist van de geschiedenis. Nadeel is wel dat zijn boek hierdoor een enigszins opsommerig karakter heeft gekregen.
Het laatste hoofdstuk is anders van opzet, en meteen het indrukwekkendst. Hierin gaat Ligtenberg in gesprek met Rudie Cortissos (87) en Yvonne de Haas (83), die allebei hun moeders nooit hebben gekend, maar wel hun uit de trein geworpen afscheidsbriefjes bezitten. Beiden spreken openhartig over de achtergrond en oorlogsverhalen van hun ouders. Zo vertelt De Haas hoe haar moeder zich tijdens de oorlog had opgeofferd voor het welzijn van haar dochter. In het afscheidsbriefje aan haar echtgenoot schreef ze vanuit de trein naar Auschwitz: „Wij doen alles voor ons eenen doel, hè boy?” Voor De Haas is het volkomen duidelijk dat zijzelf dat eenen doel was. En zo krijgt het briefje, dat voor de dochter van onschatbare waarde is, voor de lezer een betekenisvolle, maar intens verdrietige lading mee.