Home

Hoe een jongen uit West-Friesland regelde dat ook jongeren onder de zestien konden meevaren op de Pride

Voorpublicatie In 2007 streed Danny Hoekzema, toen veertien jaar, ervoor dat jongeren onder de zestien óók een plek op de Pride kregen. De Amsterdamse burgemeester Job Cohen was eerst tegen, maar de jongerenboot kwam er. Een terugblik aan de vooravond van de Pride-maand.

De Jong & Out-boot bij de Pride in 2007.

Danny weet zeker dat hij nog nooit zo snel gefietst heeft. Nu zit hij thuis op de bank, alleen. Het is maar een klein stukje van school naar huis, maar zijn hart klopt in zijn keel, het zweet staat op zijn rug.

Hij wist dat hij er een keer genoeg van zou hebben. Het geëtter in de schoolgangen, dat ze hem uitschelden voor ‘mietje’ en ‘flikker’, hem imiteren met een hoog piepstemmetje. Maandenlang is het al aan de gang.

In groep 7 kwam hij uit de kast. Ja, dat is jong, alleen al om te weten dat homoseksualiteit bestaat, laat staan om te weten dat je homo bent. Op de basisschool maakte niemand er een punt van. Waarschijnlijk hadden zijn klasgenoten geen flauw benul wat Danny’s mededeling inhield. 

Tussen feest en protest

Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek Tussen feest en protest. Het verhaal van de Amsterdamse Pride (Nieuw Amsterdam) van Michiel Klaassen en Menno Sedee. Het komt uit op 2 juni, aan het begin van de Pride-maand. In juli en augustus vindt in Amsterdam de WorldPride plaats.

Dat is op het Martinuscollege, een grote middelbare school in Grootebroek, Noord-Holland, wel anders. Van de ene op de andere dag begon het. Een groep jongens moest hem hebben. Danny is een gemakkelijk doelwit: hij is rank, heeft een beugel, een paar puistjes, zit op dansen en experimenteert een beetje met kapsels en kleding. Dan val je wel op ja, als dertienjarige jongen. En zeker in West-Friesland, in 2006.

Met gym barstte de bom. Danny beet van zich af… en toen sloeg hij iemand. Hij sloeg iemand! Terwijl hij nooit agressief is. Iedereen schrok, hijzelf misschien nog wel het meest. Hij sprong op zijn fiets en racete naar huis. Morgen zal hij weer naar school moeten. Dan pakken ze hem terug, dat weet Danny zeker. Hij voelt tranen branden. Maar hij haalt diep adem en loopt naar het halletje, waar de computer staat. Hij weet precies wat hij moet doen. Hij schrijft een mail: 

Op zich kan ik het wel uithouden op school, maar het is gewoon niet echt leuk. Je wordt door bijna iedereen nagekeken en regelmatig nageroepen. En daar kan ik niet zo goed tegen.

Danny verstuurt de mail, en die wordt gelezen door Frank van Dalen, de voorzitter van het COC.

„Ik was al vroeg wijs. Al vanaf m’n achtste ging ik stiekem alleen naar Amsterdam, en kwam vaak ook nog met meer geld thuis dan ik vertrok; oude vrouwtjes gaven vaak wat cash geld omdat ze een beetje bezorgd waren. In groep zeven, ik was elf, had ik met een jongen afgesproken in Amsterdam, en met hem gezoend. Toen heb ik een brief geschreven aan mijn ouders en onder hun kussen gelegd, op de avond van Dodenherdenking. Dan kreeg Bevrijdingsdag meteen een dubbele lading.

„Ik wist dat mijn ouders het oké zouden vinden. Mijn vader was wel bang dat ik gepest zou worden. Na een paar maanden op de middelbare school gebeurde dat ook.”

Boegbeeld

Frank van Dalen kijkt, een paar weken later, geamuseerd naar Danny en zijn ouders, die in hun keuken staan te kibbelen. Het is een warm gezin. Danny is de jongste van de drie kinderen van Erik en Marjan, maar hij houdt zich goed staande. Hij is mondig en razendslim. 

Het is ongebruikelijk dat een COC-voorzitter op zo’n persoonlijk bezoek gaat. Maar Frank kent de schooldirecteur van het Martinuscollege. Hij ziet het bezoek aan West-Friesland als een kans om de voorlichting op de school te verbeteren. Maar na de gesprekken met Danny doemt er een nog grotere kans op, want als Frank naar Danny kijkt, ziet hij helemaal geen kwetsbare tiener. Hij ziet een boegbeeld.

Danny’s brief komt op het juiste moment. Frank van Dalen heeft namelijk een duidelijke visie voor wat er moet gebeuren. In zijn nieuwjaarstoespraak van 2006 kondigt hij de ‘derde fase van de homo-emancipatie’ aan. Na het afschaffen van wettelijke discriminatie (fase 1), zoals artikel 248bis, en het binnenhalen van enkele belangrijke rechten (fase 2), zoals trouwen, is het nu tijd, volgens Frank, voor sociale acceptatie.

Danny laat zien waarom die derde fase hard nodig is. Homo-emancipatie is niet alleen een kwestie van wetten en regels. Die moet doordringen tot in de haarvaten van de samenleving, op school, op werk, op de sportvereniging. En daar is heel ander gereedschap voor nodig. Zoals voorlichting. Zoals zichtbaarheid. Zoals de Pride in Amsterdam, met zijn mediagenieke botenparade.

Dat Frank in 2005 voorzitter van het COC werd, was best opmerkelijk. Hij is een VVD’er – en dat zie je. Hij draagt keurige overhemden, voelt zich senang op netwerkborrels. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat hij hetero is. Het COC is een club met een linkse signatuur. Sommigen vinden Frank een glibberig mannetje. Maar er zijn in 2005 weinig andere kandidaten; het COC komt net uit een crisis. 

Na de Pride van 2006 wordt Frank van Dalen óók voorzitter van de nieuwe Pride-organisatie ProGay, waar zijn netwerk goed van pas komt. Bij de Pride hangt vanaf het begin al een rechtsere sfeer: ondernemers hielpen de Pride in de jaren negentig op te zetten, als tegenhanger van de Roze Zaterdag van het COC. Pride-oprichters Huub Verweij en Peter Kramer zijn actief bij de VVD. En achter de nieuwe Pride-organisator, ProGay, zit onder anderen Hugo Braakhuis van café Montmartre, een stamkroeg van homoseksuele VVD’ers. 

Gewoon een gesprek

Padadadááádam padadadam. De Pauw & Witteman-jingle trekt Danny uit zijn gedachten. In zijn hoofd was hij nog één keer aan het oefenen wat hij straks moet zeggen. Een handvol interviews heeft hij al achter de rug.

Een paar weken eerder hadden ze het persbericht verstuurd: het COC zal dat jaar met een boot meevaren voor mensen onder de zestien jaar. Dat was het idee waarop Danny en Frank na een paar gesprekken waren uitgekomen. De boot heeft inmiddels in binnen- en buitenland tot krantenkoppen en discussies in praatprogramma’s geleid – en dat was ook precies de bedoeling van Pride-voorzitter Frank. Erg origineel zijn die journalisten trouwens niet, Danny kan de vragen inmiddels dromen:

‘Waarom wil je dit?’ (Omdat jongeren ook bij de maatschappij horen.)

‘Wat als je tussen de leerboten vaart?’ (Op het Zomercarnaval in Rotterdam zie je meer bloot.)

‘Hoe bloot is de jongerenboot?’ (Niet, natuurlijk.)

‘Wat als jongeren mee willen varen?’ (Ga naar dannysparade.nl.)

Maar dit interview, op 25 januari 2007, is toch anders. Hij zit vooraan in het publiek bij Jeroen Pauw en Paul Witteman. Hij is live op tv. „In één keer beroemd”, zegt Jeroen Pauw, en hij draait zich naar Danny. „En waarom? Omdat je een jonge homo bent.”

Is dit nou een vraag of niet? „Ja”, zegt Danny dan maar.

„Want dat is het eigenlijk, hè?” Jeroen kijkt hem met grote ogen aan.

„Ehm, ja – én omdat ik een boot heb geprobeerd te organiseren voor de Gay Parade.”

Vanuit zijn ooghoek ziet hij hoe Frank hem met een glimlach aankijkt. Fijn dat hij erbij is, voor hem is zo’n praatprogramma gesneden koek.

Jeroen Pauw gaat verder: „En waarom wil je dan op zo’n boot gaan zitten?”

Makkie, denkt Danny. „Om te laten zien dat er ook homoseksuele jongeren onder de zestien zijn. Want die worden eigenlijk allemaal een beetje genegeerd. We mogen niks, we kunnen niks, we mogen niet naar praatgroepen…”

Jeroen kijkt hem ongelovig aan. „Práátgroep?! Wat moet je nou in een praatgroep, man?”

„Praten over je coming-out. Als je het nog niet durft.”

Danny Hoekzema in zijn slaapkamer in 2007.

Danny weet dat er honderdduizenden Nederlanders naar hem kijken, en ieder woord horen dat hij zegt. Toch merkt hij hoe de zenuwen steeds verder zakken. Gewoon een gesprek, het is gewoon een gesprek. En al die mensen zie je toch niet. Hopelijk kijken er ouders, die hun zoon of dochter kunnen vertellen over zijn boot. Want die moet vol, denkt Danny. Misschien kijken er morgen nog wat jongeren naar de herhaling, die wordt wat eerder op de dag uitgezonden. 

Paul Witteman vraagt: „In welk plaatsje woon jij?”

„Bovenkarspel.”

„Daar ben je wel een beroemdheid, natuurlijk.”

Danny lacht wat ongemakkelijk. „Niet zo heel erg, hoor”, begint hij. „Maar, eh, het komt steeds meer.”

Gelach in de studio, ook van het publiek. Danny ontspant.

„Na het persbericht over de boot kwam de mediareactie traag op gang, weet ik nog. Dat duurde wel een week. Daarna ontving ik veel mailtjes, die eerst door het COC werden gescreend. Dat zou nu heel anders zijn, zeker op X. Mensen zijn veel meer uitgesproken op dit soort thema’s. De maatschappij is guurder geworden. Ik zou dan een soort Lentekriebels zijn.

„Toen vond ik het alleen maar leuk. Stond ik weer in de krant, of werd ik opgehaald met de taxi om naar een tv-studio te gaan. Daardoor ging ik veel steviger in m’n schoenen staan. Het pesten was niet meteen verdwenen, maar het deed me niks meer.”

‘Onoverkomelijke bezwaren’

Een week later. Frank van Dalen loopt stevig door en zet zijn kraag op. Het vriest net niet, maar door de wind is het ijzig koud. Gelukkig is het niet ver van zijn huis naar het stadhuis. Hij heeft straks een gesprek met Job Cohen, de burgemeester van Amsterdam. 

De burgemeester heeft „onoverkomelijke bezwaren” tegen de „16-min-boot”. Frank heeft het liever over „de jongerenboot”. De Volkskrant noemde hem zelfs „de kinderhomoboot”. Probeer je maar eens te wapenen tegen zo’n frame.

Frank steekt de Jodenbreestraat over. Hij is een positief mens, vindt hij zelf, maar is toch niet gerust op een goede afloop. In gedachten vervloekt hij Siep de Haan, die de Pride tot en met 2005 had georganiseerd. Die had direct zijn kans gegrepen om te verkondigen dat zoiets onder hem nóóit was gebeurd.

Gelukkig is er ook bijval. 53 procent van de Amsterdammers staat achter Danny, volgens een enquête van de lokale omroep AT5. In veel kranten regende het steunbetuigingen. Een columnist in het opinieblad Elsevier noemde de aarzeling van burgemeester Cohen „een kwalijke vorm van discriminatie”.

Vlak voor hij de Stopera binnenstapt, kijkt Frank nog even naar de Blauwbrug over de Amstel. Gek idee dat het daar over een halfjaar weer rijen dik staat voor de botenparade, de twaalfde alweer. Of Danny straks zal uitvaren? Frank durft het niet te zeggen.

„Met de jongerenboot hebben we een onderwerp de maatschappij in geslingerd waar iedereen zich toe moest verhouden. Nu vinden we het niet meer gek dat iemand van veertien zegt: ik val op mensen van mijn geslacht. Toen zeiden de meeste mensen dat pas op hun zeventiende.”

Geen bloot natuurlijk

Zouden ze wel komen? Danny zit achter in de auto. Hij kijkt naar buiten, naar de langstrekkende Hollandse weiden en boerderijen. Hij zegt weinig. En dat terwijl het feest is vandaag. Het is de eerste zaterdag van augustus, de dag van de botenparade. 

Frank had de burgemeester in een half uur overtuigd. Beveiliging op de boot en er moeten ook ouders meevaren, dat waren de voorwaarden. En geen bloot natuurlijk. Een domme eis, vond Danny – alsof dat ooit het plan was geweest! 

Direct na het gesprek had een tv-journalist de burgemeester geïnterviewd. Of het nou wel zo’n goed idee was. De burgemeester had naar Frank gekeken en iets gezegd als: „Als Frank zegt dat het een goed idee is, dan is dat zo.” Frank was daar dolgelukkig mee geweest, noemde het een ‘manifest moment’ of zo. 

En dus kachelen ze nu met het hele gezin naar Amsterdam. Het is net een familie-uitje, maar dan met camera’s erbij. Danny draagt het shirt dat hij heeft laten maken voor deze dag: zwart, met in roze letters Jong & Out erop, de naam van het jongerenplatform dat hij heeft opgericht met het COC. Alle jongeren dragen straks zo’n shirt. 

„Dat Jong & Out nog steeds bestaat, maakt me trots, ook al ben ik er totaal niet meer bij betrokken. We zijn nu vier stappen vooruit, en ik ben blij dat ik één van die stappen heb kunnen zetten.”

Als ze komen, tenminste. Vijftig jongens en meisjes hebben gezegd mee te varen, maar Danny is doodsbang dat ze hem in de steek zullen laten. Over de jongens zit hij minder in; sommige hadden met de nodige smileys en hartjes laten weten dat ze voor hem zéker zouden komen. Een van de meiden die had gereageerd, Linda, lukte het gelukkig om nog twintig meiden te vinden. Maar zouden die écht allemaal naar Amsterdam komen? Hij ziet al voor zich hoe hij daar straks helemaal alleen op die boot staat, in zijn T-shirt. 

Er zoeft een verkeersbord voorbij. Amsterdam, nog vijf kilometer. God, keerde zijn vader de auto maar. Danny kruipt steeds verder weg in de achterbank, de steen in zijn maag wordt zwaarder. 

Hij moet die boot vol krijgen, heeft Frank gezegd. Daarom mocht hij op het kantoor van het COC werken, hij kreeg zelfs een laptop. Dagen school heeft hij gemist – de conciërge keek niet eens meer op als hij weer eens door de gangen rende omdat hij naar een interview moest. Als de boot straks leeg is, komt hun boodschap niet over én staat hij voor aap.

Twee uur later blijkt zijn angst helemaal voor niets. Danny is euforisch. Hij staat op de verhoging, vooraan op een stampvolle boot. De jongeren hebben allemaal hun zwart-met-roze Jong & Out-shirt aan, de ouders hebben iets wits aangetrokken. Twee mannen met security op hun rug flankeren de groep, maar hebben niks te doen. 

Danny zweept met een paar jongens naast hem het publiek langs de kant op. Armen omhoog! De twee metershoge ‘skydancers’, luchtpoppen in neon-groen en neon-roze, lijken hen na te doen, met hun wapperende armen die naar de zon reiken. Van iemand aan de kant krijgt Danny een witte bloem toegeworpen. Hij vangt hem en steekt hem hoog in de lucht.

„De jongerenboot is de meest vormende periode in m’n leven geweest. Die gaf zo veel erkenning. Dat was grandioos. Nog steeds raken meningen van anderen mij niet zo, omdat ik het gevoel heb dat ik er mag zijn. Dat ik mijn stem mag verheffen. Dat komt echt uit die tijd.

„Ik maak me zorgen over welke kant het opgaat. Laatst dat onderzoek dat bijna 60 procent van de Amsterdamse jongeren homoseksualiteit niet normaal vindt. Holy fuck, denk ik dan, dat brengt me terug naar 2007. Toen had je ook onderzoeken waarin stond: zoveel procent van de Nederlanders vindt het vies om twee mannen te zien zoenen op straat. Dat sentiment leek verdwenen. Of als je ziet wat er nu in de Verenigde Staten gebeurt, waar transgender personen worden uitgesloten en ontmenselijkt. Zij staan in de eerste linie, maar dit stopt niet vanzelf bij één groep.„Ik voel me enorm geprivilegieerd als vrij welvarende, hoogopgeleide, witte man, met een dochter van 4,5. Maar dit gaat ook mij aan. We moeten ons heel bewust zijn van wat er nu gebeurt.”

Coming-outleeftijd Steeds gewoner, nooit gewoon 

Heeft de jongerenboot geleid tot een daling van de gemiddelde coming-outleeftijd? In 2012 bleek uit het onderzoek Seks onder je 25e van expertisecentrum seksualiteit Rutgers dat die leeftijd op 16,6 jaar lag voor jongens, en 15,9 voor meisjes. Zeven jaar eerder was dat nog respectievelijk 17,8 en 16,3 jaar – gemiddeld, natuurlijk.

Rutgers-onderzoeker Hanneke de Graaf had wel een idee hoe dat kwam: de toegenomen zichtbaarheid van homoseksualiteit was volgens haar een belangrijke oorzaak. „Op tv, bijvoorbeeld in soapseries, zie je tegenwoordig vaker homo’s”, zei ze in de Volkskrant. „En ook zoiets als de jongerenboot op de Gay Pride draagt bij aan de zichtbaarheid.” Die voer niet alleen mee in 2007, maar ook in de jaren daarna. 

Zeker is dat het die jaren steeds veiliger werd voor jongeren om uit de kast te komen. Voordat de botenparade in 2010 voor de vijftiende keer uitvoer, publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het rapport Steeds gewoner, nooit gewoon (2010). Het percentage van de bevolking dat homoseksualiteit afwees – die ‘homonegatief’ is, in SCP-jargon – was in een paar jaar tijd scherp gedaald. In 2006 ging het om 15 procent van de Nederlanders, een paar jaar later was dat nog maar 9 procent.

Gender

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next