Popmuziek Paul McCartney kijkt al jaren achterom, maar zelden klonk dat zo samenhangend als op ‘The Boys of Dungeon Lane’. Een ontroerende plaat vol jeugdherinneringen.
Paul McCartney tijdens zijn Got Back Tour in het Canadese Hamilton, november 2025.
Klik-klak. De diaprojector verspringt. Trillende korrelige beelden, zacht flikkerend in hun kleine raampjes, slide na slide schuift het verleden een positie op. Rokerige kroegen, goedkope gitaartjes. Zie de jongens in Liverpool-Zuid, dolend bij Dungeon Lane, waar de buitenwijk Speke ooit overging in boerenland en rivieroevers richting de oevers van de Mersey. „Some of them will feel the pain, but some were meant for more”, zingt Paul McCartney. Tegenwoordig ligt diezelfde weg direct aan Liverpool John Lennon Airport.
Paul McCartney
The Boys of Dungeon Lane
The Boys of Dungeon Lane, Paul McCartneys eerste studioalbum in bijna zes jaar, opent als een doos vol snapshots. Hadden we nog iets van Macca verwacht? Op zijn 83ste hoeft het niet meer per se, zou je denken. Maar van gas terugnemen is bij McCartney nog altijd weinig te merken.
In 2023 verscheen 1964: Eyes of the Storm, zijn fotoboek met eigen Beatlemania-foto’s, tegelijk met de gelijknamige tentoonstelling in de National Portrait Gallery. Ondertussen trok hij met zijn Got Back Tour de wereld over – tijdens de O2-show in Londen verschenen verrassingsgasten Rolling Stones’ Ronnie Wood en oude Beatle-maat Ringo Starr op het podium. Aan het eind van de tour in 2024 zei de basgitarist, zanger en componist expliciet dat hij blij was om weer thuis tijd met vrienden en familie door te brengen. Hij leeft met vrouw Nancy Shevell „pretty much like any other normal couple”.
Ook bleef hij platen maken: Egypt Station met hit ‘Come On to Me’ (2018), McCartney III (2020). Voor de remixplaat McCartney III Imagined (2021) liet hij anderen zijn werk interpreteren. Een week geleden wuifde hij de Amerikaanse talkshowhost Stephen Colbert uit met een vrolijk ‘Hello Goodbye’. En nu is er The Boys of Dungeon Lane – zijn eerste album in bijna zes jaar. McCartney met pensioen? Moeilijk voorstelbaar dat het ooit echt stil wordt.
Terugblikken doet Paul McCartney wel al lang. Op Kisses on the Bottom (2012) keerde hij terug naar de Amerikaanse standards uit zijn jeugd, liedjes die mede de voedingsbodem vormden voor The Beatles. De afgelopen jaren komt dit thema nadrukkelijker naar voren. Na 1964: Eyes of the Storm, het fotoboek met zijn Beatlemania-foto’s, verscheen dit jaar ook de documentaire Man on the Run, over zijn jaren met de band Wings na het uiteenvallen van The Beatles. Ook in interviews spreekt hij opener over vroeger: over Liverpool, over muzikale boezemvriend John Lennon en zijn vroegere vrouw Linda. Het is geen oude rockster vreemd, het verleden laat McCartney de laatste tijd niet los.
Het is een plaat die hoorbaar met veel liefde is gemaakt. Geen haastwerk, geen late carrièreoefening of plichtmatig vervolg, maar het resultaat van een geïnspireerd schrijf- en opnameproces met producer Andrew Watt dat een jaar of vijf in beslag nam. Watt geeft McCartney vleugels in rock en folk. Een onvaste stem, af en toe echt wel iel, maar prettig toch. Vooral klinkt McCartney als iemand die niets meer hoeft te bewijzen en juist daardoor ruimte vindt.
Er zijn genoeg liedjes – Paul solo, Beatles- en Wings-liedjes – die gebonden zijn aan Liverpool. Deze plaat is misschien wel het persoonlijkst. De titelsong en eerste melancholische ballad ‘Days We Left Behind’ vormt het hart. Hier wandelt McCartney door het Liverpool van zijn jeugd. „No one can erase the days we left behind”, zingt hij. Warm en broos in de hoogte, bijna berustend.
Voor Beatles-volgers krijgt het nummer nog een extra laag wanneer McCartney zingt: ,,We met at Forthlin Road and wrote a secret code…” – een verwijzing naar zijn vroege tienerjaren met John Lennon toen ze samen liedjes als ‘I Saw Her Standing There’ en ‘Love Me Do’ schreven bij Paul thuis. ‘Down South’ haalt een liftavontuur terug van Paul en John Lennon.
Hartverwarmend is het duet ‘Home To Us’ met oude olijke Beatle-maat Ringo Starr. Het is een late Wings-McCartney-pop terugblik op hun jeugd – bepaald niet zorgeloos, maar wel een tijd die, ondanks alles, als thuis bleef voelen. McCartney weet hoe beladen zulke herinneringen zijn, maar houdt ze klein.
The Boys of Dungeon Lane wordt nergens een oeverloze nostalgieplaat. Daarvoor klinkt het album te levendig, te nieuwsgierig en muzikaal te energiek. De opening ‘As You Lie There’ verrast meteen in rauwheid. Is het een herinnering aan een oude vlam? McCartney laat zich hier van zijn rockkant horen: zijn stem schiet hoog en hees omhoog, vol rafels en verlangen. Het nummer klinkt als een verhitte flashback. Zou ze zich hem nog herinneren?
Ook elders blijft de plaat bewegen. ‘Ripples in a Pond’ is lichtvoetig, melodieus en speels – een verliefde rocker met een glimlach. ‘Mountain Top’ bouwt gestaag op. ‘Come Inside My Mind’ is aanstekelijk en zonnig, zo’n lied dat zich moeiteloos nestelt zonder zich op te dringen. Het zijn nummers die voorkomen dat de plaat bezwijkt onder haar eigen thematiek. Nostalgie krijgt hier ritme, humor en vaart.
Dat er over het album een duidelijke schaduw van vergankelijkheid hangt is invoelbaar. Veel familie, vrienden, medemuzikanten verdwenen uit zijn leven. Zijn ouders kregen allebei hun eigen ode. McCartney zingt over wat verloren ging zonder erdoor opgeslokt te worden.
Misschien is dat wel het meest ontroerende aan deze plaat: hoe jeugdherinneringen altijd op die harde schijf blijven staan en zich dieper vastzetten, terwijl het heden steeds vluchtiger wordt weggeschreven. Niets blijft hetzelfde. Daar kan niemand iets aan doen, zingt McCartney, „maar niemand kan de dagen uitwissen die we achter ons hebben”.
Een plaat in sepia, gedrenkt in zoete melancholie, maar drijvend op vakmanschap en melodisch instinct en een overtuigender album dan zijn voorganger: warmer, consistenter en inhoudelijk rijker. Sir Paul McCartney kijkt terug, om niet stil te blijven staan.