Een poosje geleden verbleven we met de kinderen in het huis van mijn moeder, omdat ze op vakantie was. Ik ben in dat huis, wit en lief en niet heel groot, geboren en opgegroeid tot ik naar Amsterdam ging om te studeren.
Het huis staat midden in de polder en heeft een tuin zo groot, dat je het rustig een landgoedje kan noemen. Ik groeide er op zonder broers of zussen. In de zomer lag ik in een roze hangmat achter de vijver, en las boeken. Alles werd dan warm: mijn huid, het gras, de stenen. Ik trok de hangmat soms heel dicht om me heen, tot ik alleen de kruinen van de bomen en een stukje blauwe lucht kon zien. Ik weet nog hoe het rook. Naar stof, karamel en hars.
Er zijn allerlei redenen waarom het huis en de grond voor mij ook een bezwaard gebied vormden. Er was mijn vader, in zijn laatste zware jaren altijd thuis, als de Minotaurus in zijn labyrint. En ook daarvoor al, toen ik er nog woonde, en chaos en pijn de kamers konden vullen. Of nog eerder, toen er in de vijver achter het huis een verschrikkelijk ongeluk gebeurde.
Toen mijn vader stierf, heb ik ook afscheid van het huis genomen. Ik kwam er wel, maar liep dan losgezongen door de tuin en de kamers. Ik wist niet meer van wie het huis was, zo zonder hem. Ik dacht dat mijn moeder daar ook zo over dacht. Dat ze snel zou verhuizen, de stad in, terug naar háár oorsprong.
Dat deed ze niet. In plaats daarvan begon ze, zoals ook andere vrouwen in beladen huizen doen, kamer na kamer op zichzelf terug te winnen. Ze verfde, kocht mooie dingen en zette die op de juiste plekken neer. Ze haalde schuren leeg. Ze temde de tuin, iets wat mijn vader in al die jaren niet gelukt was. Ik keek verbijsterd naar haar exercitie. En daarna nam ik er afstand van. Ik wilde me niet met een nieuwe fase voor die – voor mij – uitgeputte plek verbinden.
In de jaren die volgden kwam ik er soms heel lang niet, en dan weer wel. Maar bij ieder bezoek werd ik meer een vreemdeling.
Maar bij dit laatste bezoek besprongen me opeens geen geesten. Het huis is veranderd en nu helemaal van haar, maar zo kalm en harmonieus, dat ik opeens dwars door de tijd heen naar het goede begin kon kijken.
Dus bouwde ik, als toen, iedere avond een groot vuur. Ik sproeide mijn kinderen nat met de tuinslang, iets te lang en te pesterig, net zoals mijn vader kon doen. Ik zat in de keuken op het aanrecht te kletsen, zoals ik als puber deed. Ik zette mijn gympen naast mijn vaders oude kippensloffen. Ik zag dat mijn moeder al mijn jeugdboeken bewaard had, las Evert Hartman in de zon, en kon een vleug van het geluk van die landerige zomers weer ruiken.
Ik sliep heel diep.
Ik heb me zo lang wat ontheemd gevoeld. Alsof mijn kindertijd steeds meer in nevelen gehuld was. Alsof ik nergens naar kon terugkeren, niets kon vastgrijpen. Maar ik bleek er opnieuw in te kunnen stappen. En dan ook nog eens in de versie waar de pijn door mijn moeder is opgeruimd. Voor zichzelf, maar misschien ook wel voor mij en mijn kinderen.
Wat kunnen vrouwen toch grote werken verrichten.