Home

Op de witte werkvloer voelden ze zich niet thuis. Bij deze thuiszorgorganisatie werken alleen hulpverleners van niet-westerse komaf

Diversiteit op de werkvloer Emmaüs HomeCare is opgericht om mensen met een niet-westerse achtergrond thuiszorg te bieden door hulpverleners met eenzelfde achtergrond. Opmerkelijk genoeg bestaat het cliëntenbestand vooral uit witte Nederlanders.

Van links naar rechts: Runaiska Felicia, Jureling Candelaria en Michelique Manuel in gesprek met de wijkverpleegkundige.

Ze werken vanuit een kamer van vijf bij zeven meter in een onopvallend kantoorgebouw. Vier jaar geleden is hun bedrijf opgericht door een vrouw uit Curaçao die helder uit haar ogen kijkt, maar inmiddels nauwelijks meer kan zien.

Als je het kantoor van Emmaüs HomeCare binnenstapt, valt echter niet meteen op wat dit kleine thuiszorgbedrijf uit Dordrecht uitzonderlijk maakt. Wanneer je met oprichtster Jureling Candelaria (41) en twee andere Antilliaans-Nederlandse werknemers kennismaakt, krijg je al een vermoeden. Maar het wordt duidelijk als je stagiaire Manal (23) ontmoet, een Marokkaans-Nederlandse met een hoofddoek, die liever niet met haar achternaam in de krant wil, en net terugkomt van een begrafenis van een cliënt. En als je hoort dat de andere collega’s van Afghaanse, Somalische, Surinaamse en Zuid-Afrikaanse afkomst zijn.

Directeur-eigenaar Candelaria neemt bewust mensen aan met verschillende culturele achtergronden. Ze zou ook graag witte Nederlanders aannemen, maar dat is tot nu toe niet gelukt. „Die solliciteren hier niet”, zegt bestuursondersteuner Runaiska Felicia (23) schouderophalend. Bij Emmaüs HomeCare werken alleen vrouwen van niet-westerse komaf.

Afgelopen najaar publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een onderzoek met als belangrijkste conclusie: meer diversiteit op de werkvloer leidt eerder tot frictie dan tot een gevoel van inclusie. Mensen werken nu eenmaal het liefst met mensen die op ze lijken, blijkt uit het onderzoek.

Onderzoekers ontdekten dat werkgevers die mensen van kleur hun organisatie binnenhalen niet altijd beseffen hoe vaak deze mensen worden buitengesloten. Ook hebben ze vaak geen zicht op de manieren waarop dit gebeurt. Werkgevers overschatten dan ook vaak hoe inclusief hun organisatie is. Dat weinig mensen met een migratieachtergrond managementfuncties bekleden, helpt volgens de SCP-onderzoekers bovendien niet mee.

Toch zullen werkgevers met diversiteit en inclusie aan de slag moeten. In het SCP-onderzoek staat dat ruim een op de vier werknemers in Nederland een migratieachtergrond heeft. Bij jonge werkenden (tussen de 25 en 35 jaar) is die verhouding zelfs bijna een op de drie.

Reden genoeg voor NRC om moeilijkheden rond diversiteit op de werkvloer verder te onderzoeken. Maar dat blijkt lastig. Talloze telefoontjes en mailtjes naar mensen met negatieve ervaringen leverden slechts reacties op als: „Ik herken het, maar vertel daar liever niets over in de krant” en „Ik deel mijn verhaal niet omdat ik bang ben mijn baan te verliezen.”

Hoogleraar sociale (on)rechtvaardigheid Judi Mesman legt uit waarom er zoveel angst en ongemak is dat mensen niet openlijk durven te praten over wrijving als gevolg van diversiteit op de werkvloer. „Mensen van kleur kijken wel tien keer uit voor ze het daar hardop over hebben. Ze weten dat erover praten eigenlijk altijd leidt tot bagatelliserende of boze reacties. En witte mensen zijn als de dood om voor racist uitgemaakt te worden.”

Maar hier, rond de twee grote bureaus in de kantoorruimte van Emmaüs HomeCare, willen de vier vrouwen met een niet-westerse achtergrond wel het een en ander zeggen naar aanleiding van de conclusies van het SCP-onderzoek. Al kiezen Candelaria, Felicia, Manal en Michelique Manuel (38) hun woorden behoedzaam.

Angst voor onbegrip

 „Mijn moeder zei altijd: ‘Jij moet extra je best doen, zodat ze achter je rug niets op je kunnen aanmerken’”, vertelt Felicia. In de overwegend witte organisaties waar ze werkte, voelde ze zich niet vrij zich uit te spreken. Ook durfde ze weinig te delen over hoe het eraan toeging bij haar thuis. Ze was bang dat het er bij witte collega’s misschien wel heel anders aan toeging en dat die haar dan vreemd zouden vinden. „Ik was bang dat ze me niet zouden begrijpen. Of dat ze zouden vinden dat ik werk en privé gescheiden moest houden.”

Haar laatste ervaring bij een overwegend witte organisatie was haar stage als doktersassistente bij een huisartsenpraktijk. Daar botste het werk met haar waarden en normen. Want er werden zoveel mensen niet door de huisartsen ontvangen, die volgens haar wel ontvangen hadden moeten worden. En dan was het aan haar om die mensen te vertellen dat ze gewoon een paracetamol moesten nemen of het nog maar even moesten aankijken. Terwijl er voor haar gevoel echt wel ruimte was in de agenda’s van de huisartsen voor wie ze werkte.

Zo verschrikkelijk vond ze haar stage, dat ze per direct met haar studie stopte. Gelukkig heeft ze hier wél het gevoel dat ze mensen helpt, zegt ze. Gelukkig voelt ze zich hier begrepen en veilig onder gelijkgezinden.

Michelique Manuel (38) werkte voorheen in een overwegend witte, grote thuiszorgorganisatie. Nadat ze de huisbezoeken niet meer kon doen wegens lichamelijke klachten, was er geen plek meer voor haar in het bedrijf. Het verbaasde haar dat er bij zo’n grote organisatie geen enkel bureauwerk voor haar te vinden was, ze vermoedt dat de werkgever het misschien lastig vond om haar om te scholen. Bij Emmaüs HomeCare wordt ze nu omgeschoold tot kantoormedewerker personeelszaken.

Thuiszorghulp Tisha Somersall heeft boterhammen gesmeerd voor een cliënt.

Hier voelt ze bovendien de ruimte om fouten te mogen maken en ervan te leren, zodat ze zich verder kan ontwikkelen. Bij de witte organisaties waar ze werkte, voelde ze die ruimte niet. Daar had ze het idee dat ze alles meteen moest kunnen. Daar voelde ze zich dom of lastig als ze iets vroeg. Dus durfde ze niets te vragen.

De vrouwen denken alle vier dat moeilijkheden op de werkvloer vooral zijn veroorzaakt door cultuurverschillen. Ze zijn het erover eens dat de normen en waarden van niet-westerse mensen van allerlei verschillende nationaliteiten dichter bij elkaar liggen dan die van witte Nederlanders. Daardoor voelen ze een grotere afstand tot witte Nederlanders dan tot elkaar.

„Kijk naar haar mij en Manal”, gebaart Felicia naar de stagiaire die naast haar aan het bureau zit. „We wonen naast elkaar en zijn al jaren vriendinnen.” Ooit zat er ook een Nederlands meisje in hun vriendinnengroep, vertelt ze. Die wilde komen logeren, maar dat doe je in Marokkaanse of Antilliaanse culturen gewoon niet tot je achttiende. Die hoefde niet op haar dertiende te gaan werken om wat bij te verdienen, zoals zij. Die mocht uitgaan zo vaak ze wilde. Felicia: „Tsja, dan groei je toch uit elkaar.”

Zware criminaliteit

Candelaria koos na haar middelbare school niet voor een carrière in de zorg, zoals haar moeder en zus. Ondanks haar visuele beperking (ze raakte in haar jeugd aan één oog blind en kreeg aan haar andere oog kokervisie) deed ze een hbo-studie rechten. Daarna werkte ze bij de politie in een rechercheteam dat zich bezighield met zware criminaliteit.

Haar held was altijd Peter R. de Vries. Na diens dood gooide ze het roer om. Ze wilde minder gevaarlijk werk doen. Ze wilde mensen niet langer veroordelen, maar juist helpen.

Candelaria begon haar thuiszorgorganisatie na de coronaperiode. Haar doel was om vooral om mensen met een niet-westerse achtergrond thuishulp te bieden. En wel door hulpverleners met eenzelfde achtergrond, omdat ze gelooft dat herkenning in cultuur, taal en levenservaring leidt tot meer vertrouwen en begrip. En omdat ze in haar omgeving ziet hoe moeilijk niet-westerse mensen het vinden om thuiszorg aan te vragen. 

In de praktijk helpt Emmaüs HomeCare tot nu toe vrijwel alleen witte Nederlanders. Het is en blijft namelijk toch bijzonder lastig om cliënten van niet-westerse komaf te vinden. De vrouwen op kantoor leggen uit hoe dat komt.

Schaamte

Dat niet-westerse ouderen geen thuishulp aanvragen heeft te maken met schaamte, zeggen ze. Schaamte om hulp buiten de familie te moeten vragen. Maar ook schaamte over wat anderen zullen denken. Manal: „Mijn oma heeft een rollator maar weigert ermee naar buiten te gaan. Ze zegt: ‘Als mensen mij met een rollator zien, denken ze dat ik zwak ben.” Haar opa was op het laatst zo ziek dat hij niet meer naar de wc kon. Zijn dochters moesten hem naar de wc dragen en zijn vrouw moest hem daar helpen.

De cultuur op Curaçao is heel erg: ouders zorgen voor hun kinderen, kinderen zorgen voor hun ouders, vertellen de Antilliaanse vrouwen. Felicia: „Mijn moeder zit nu zelfs op Curaçao om daar voor haar moeder te zorgen.” Candelaria: „Mijn vaders been is geamputeerd, maar hij wil niks weten van hulp van vreemden. Gelukkig werkt mijn zus in de thuiszorg en mag zij hem helpen.” En Candelaria’s ouders hebben tot haar opluchting inmiddels wel huishoudelijke hulp geaccepteerd.

Op Curaçao wonen families vaak in verschillende huizen op één lap grond met een gezamenlijke tuin. Daar is het gemakkelijk om elkaar te helpen. Maar als ouders van niet-westerse komaf in een westerse samenleving wonen, zoals Nederland, vindt Candelaria dat ze niet zomaar van hun kinderen mogen verwachten dat die wel voor ze zorgen. „Dat is hier gewoon niet te doen.” En daarom blijft haar missie onveranderd. „Ook niet-westerse mensen hebben recht op thuishulp.”

De vrouwen op kantoor hebben geregeld dat er vandaag twee witte Nederlandse cliënten kunnen worden bezocht. Niet wanneer de thuishulp er is om ze te verzorgen, maar juist op een rustig moment van de dag.

Docent Frans en alpinist

De eerste cliënte woont in een royaal rijtjeshuis met een gigantische tuin. Ze heet Rietje Smits-Billet (87). Haar man is overleden en haar dochter woont in Noorwegen. Vroeger was ze docent Frans en alpinist. Nu kan ze nauwelijks meer lopen als gevolg van een zenuwbeklemming in haar rug.

Eerder had ze hulp van een grote thuiszorgorganisatie, vertelt ze. „Dan kwamen Jan, Piet en Klaas liefdeloos hun nummertje afdraaien. Ze wilden geen ontbijt voor me maken. Dat mocht niet volgens de regels. Ze dachten totaal niet met me mee en stonden soms na vijf minuten alweer buiten.”

Sinds februari komt Tisha ’s ochtends tijdens werkdagen Tisha – „die is van Sint-Maarten” – en in het weekend komt Kaisha – „die is half Nederlands, half Marokkaans”. Smits-Billet heeft met hen besproken dat ze het dagelijkse wassen grotendeels zelf doet en meer behoefte heeft aan hulp bij haar ochtendroutine. „Ze denken met me mee en er is altijd wel iets te lachen.” Dat Tisha en Kaisha een niet-westerse achtergrond hebben is voor mevrouw Smit-Billet geen issue. Ze zag als lerares leerlingen van allerlei achtergronden voorbijkomen. „Ik kijk naar mensen hun hart.”

De tweede cliënt woont in een klein huisje vol eikenhout, aardewerk en donkere schilderijen. Op een bed in de voorkamer zit een oudere man in een zwarte trainingsbroek. „Ik ben meneer Branten”, stelt hij zichzelf voor. „Ik zit al drie jaar op dit bed”, moppert de 82-jarige man. „Ik kan niet lopen.” Wat volgt is een bittere spraakwaterval. Over ruzie in de familie. Over problemen met het regelen van vergoedingen voor een scootmobiel. Over zijn jongste dochter van 63, die gehandicapt is en al sinds haar zevende in een instelling zit.

Als hem op een onbewaakt moment naar de thuiszorg wordt gevraagd, klaart hij onverwachts op. „’s Ochtends en ’s avonds komen de meisjes. Ze doen alles voor me. Ze douchen me, trekken me schone kleren aan, spuiten insuline, maken mijn eten klaar. Het is een roeping, zoals zij zorgen voor oudere mensen.”

Ook voor meneer Branten is het onbelangrijk dat zijn verzorgers een andere culturele achtergrond hebben. „Ik kom uit Brabant, Laila komt uit Marokko, maar we hebben allebei familie in Helmond.”

Op de weg terug naar kantoor zegt Felicia behoedzaam: „Kijk, dat is ook zo’n verschil. Dat je aan een wildvreemde meteen je hele levensverhaal vertelt. Dat zouden mensen uit mijn cultuur nooit doen.”

Thuiszorghulp Tisha Somersall van Emmaüs HomeCare op bezoek bij een cliënt.

Discriminatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next