Toetsen
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Tegen de tijd dat leerlingen klaar zijn met de middelbare school hebben ze honderden toetsen afgelegd, volgens de voorzitter van de Onderwijsraad die net een nieuw advies uitbracht ‘Kijk anders naar toetsing‘. Van de kleuterklas tot het eindexamen hangt het onderwijs aan elkaar van toetsmomenten: weet het kind dit al, kan het dat al? Zit het op het landelijk gemiddelde niveau, erboven of eronder?
Veel kinderen raken er gestresst van en leraren moeten op hun beurt elke toets weer nakijken en de resultaten bijhouden in de computer die er weer grafieken van maakt. Een schoolrapport lezen is anno 2026 een soort oefening in statistiek. De vorderingen van het kind zelf worden zo gemonitord en die van de klas en de school als geheel ook – onder meer door de Inspectie, wat de druk weer verhoogt.
Het getoets moet minder, schrijft de Onderwijsraad en daar zal vrijwel iedereen het mee eens zijn. Laat niet elke oefening meetellen voor het rapport, want dat zet kinderen voortdurend onder druk. Onbevangen leren en naar school gaan is er dan niet meer bij. Bovendien is het ene kind beter geschikt om te presteren op het moment dat de omgeving dat eist dan het andere. Dat zegt niet altijd iets over leercapaciteiten of goede lesmethodes.
Het kind zo nauwgezet volgen, en alles vastleggen, dat het al heel jong in een bepaalde stroom terecht komt (vmbo, havo, vwo) en er dan van uitgaan dat het in die stroom ‘hoort’, kan soms funest zijn voor de kansen van dat kind. Vaak passen de leraar en de school zich sluipenderwijs aan aan hun eigen verwachtingen. En het kind ook. Je moet een sterk karakter en veel discipline hebben om dan nog boven die verwachtingen uit te stijgen. Anderzijds wordt van sommige kinderen door school en vooral ouders te véél verwacht, waardoor ze het gevoel hebben altijd op hun tenen te moeten lopen.
Toch is helemaal niet toetsen, en alles overlaten aan de inzichten van de leerkracht, ook geen goed idee. Zonder objectieve algemene toets, zoals die van Cito, blijken kinderen aan het einde van de basisschool vaak een te laag of juist te hoog schooladvies te krijgen van de leerkracht. Dat komt doordat die leerkracht het opleidingsniveau van de ouders meeweegt in haar beoordeling – daar wordt ook expliciet naar gevraagd wanneer kinderen beginnen op de basisschool.
„Misschien moet je iets lager mikken”, had de juf tegen schrijver en onderwijssocioloog Milio van der Kamp gezegd, omdat hij uit een arbeidsmilieu kwam. Zij gaf hem in groep acht een vmbo-advies, maar hij werkte zo hard dat hij uiteindelijk op de universiteit kwam en er nu docent is. Ook duizenden kinderen van laagopgeleide migranten kregen te lage schooladviezen, omdat de juf (en soms een meester) het kind wilde beschermen voor een ’te moeilijk’ niveau op de middelbare school. Dat deed deze kinderen tekort.
Tussen 2004 en 2020 was het ook nog eens moeilijk om te ‘stapelen’ op de middelbare school, omdat dat extra geld kostte, bleek uit een studie van het CPB. Kinderen die door de juf te laag waren geadviseerd, kregen daardoor nauwelijks de kans om door te stromen naar een hoger niveau. Inmiddels wordt stapelen gelukkig weer volop gestimuleerd.
Een goed advies, gebaseerd op onafhankelijke toetsen, is dus van groot belang voor alle kinderen. Die moeten er niet te vaak zijn tijdens de schoolloopbaan, maar moeten aan het einde ervan wel doorslaggevend blijven.