Elitaire kunst Met kunstmatige intelligentie kan iedereen met het grootste gemak een tekst schrijven, muziek produceren, schilderijen maken. Maar, vraagt schrijver Thomas Heerma van Voss zich af, kunst moet toch draaien om een zekere onverwachtheid, tegendraadsheid? Of is dit een elitaire houding?
Recent belandde ik op de kunstbeurs PAN Amsterdam. Een kennis van me – een collega op wie ik ben gesteld – had daar een plekje bemachtigd. Schrijven deed hij tegenwoordig weinig meer, hij was vooral druk doende met de galerie die hij had opgericht, en hij nodigde velen uit om deze beurs te bezoeken. Het was een wonderlijk, groots gebeuren, daar in de RAI: allerlei galerieën en musea en kunstenaars hadden kraampjes opgetuigd, ze verkochten schilderijen en vazen en foto’s van doorgaans duizenden euro’s. Overal liepen mensen in maatpakken en blazers. Veel botox en facings. Luide bralstemmen. Het centrale café heette Oesters & Champagne, verderop zat de Spumante Bar.
Het is makkelijk en niet onterecht om dit geheel te bespotten. Al die figuren leken gewiegd door welvaart. Vlak na binnenkomst wilde ik al weggaan. Dit was een heel ander soort kapitaal dan ik uit mijn jeugd kende, niet cultureel maar economisch, poenerig. Had die schrijvende kennis van me de overstap gemaakt van het ene milieu naar het andere? Was deze samenkomst het toppunt van elitarisme?
Pas achteraf dacht ik: misschien kijken anderen wel regelmatig op een vergelijkbare manier naar mij, met eenzelfde aan afkeer grenzende afstand.
Ik schrijf nu circa twintig jaar, zowel fictie als non-fictie. In die periode heb ik de waarde van literatuur flink zien krimpen. Ik merk het onder meer wanneer ik in mijn rol van schrijver scholen bezoek: de concentratie neemt zienderogen af en het voornaamste en soms zelfs enige wat leerlingen tegenwoordig van me willen weten, is of een schrijver een beetje geld verdient; een vraag die door de huizencrisis en het stijgende levensonderhoud trouwens goed te begrijpen valt. Daarnaast zijn begrippen als ‘cultureel’ en ‘elitair’ steeds verdachter geworden, wat ook buiten klaslokalen voortdurend merkbaar is. Of het nu om Wilders gaat die weer sleets sneert naar de ‘grachtengordelelite’, of Rutte die het heeft over de ‘witte wijn sippende Amsterdamse elite’: telkens wordt er nadrukkelijk contrast aangebracht tussen enerzijds een culturele of financiële bovenlaag die zich richt op decadente, onnodige zaken en anderzijds dat holle begrip ‘de gewone man’. Waarmee impliciet en expliciet nieuwe culturele bezuinigingen worden gerechtvaardigd, en dédain ten opzichte van kunst steeds agressiever klinkt.
Dit alles maakt schrijven over elitarisme en kunst een heikele aangelegenheid. Is alle kunst elitair? Ik vrees dat meer en meer mensen die vraag met ‘ja’ beantwoorden. Natuurlijk wil ik daar tegenin gaan – kunst is belangrijk, er bestaan fundamenteel verschillende soorten kunst, enzovoorts – maar rondom dergelijke discussies hangt altijd iets sleets. Bovendien: ook wie zich beargumenteerd verzet tegen de koppeling tussen elitarisme en kunst, gaat mee in het narratief van mensen die de twee zo stellig tegen elkaar afzetten.
Dit alles lijkt haaks te staan op een andere recente ontwikkeling. De opkomst van AI valt samen met de belofte dat iedereen met deze technologie iets kan maken, of eigenlijk laten maken. Een dienst als ChatGPT teert op het idee dat ze schrijven, redigeren of ideeën toetsen laagdrempelig maakt, min of meer voor iedereen toegankelijk. Begin dit jaar interviewde ik Sandjai Bhulai, hoogleraar business analytics aan de VU en in die hoedanigheid nauw bezig met kunstmatige intelligentie. Monter zei hij: „Dat ik nu zonder plan of ervaring in staat ben door technologie een heel filmpje te maken, het is toch geweldig? Opeens kan iemand met dyslexie toch een tekst schrijven en kan ikzelf muziek produceren, schilderijen maken, noem het maar op.”
Bhulai meende, en hierin staat hij zeker niet alleen, dat AI creativiteit en zelfs kunst alleen maar bereikbaarder maakte. Wat kon daartegen zijn? Het klonk alsof de elitaire randjes door deze technologie werden weg gevijld, iedereen kon er voortaan bij.
Hierin schuilt iets paradoxaals: enerzijds benadrukt menigeen graag hoe elitair kunst is, anderzijds wordt er juist breed uitgedragen dat een tekst schrijven of een tekening maken eenvoudiger is dan ooit tevoren. Van dit laatste merk ik al geregeld de consequenties. Het afgelopen jaar was ik zogeheten Vrije Schrijver aan de VU, ook daar leunden sommige studerende aspirant-schrijvers op ChatGPT, en in die reeds genoemde middelbare scholen merk ik het nog veel sterker. Iedereen kan zijn laptop tegenwoordig in een paar seconden een tekst van boeklengte laten uitspugen, lang niet iedereen begrijpt dat die tekst fundamenteel anders is dan een door mensen geschreven boek – de waarde van woorden slijt, kortom.
Wat wringt: als massa’s mensen menen een overtuigende tekening te kunnen produceren of een coherent verhaal te kunnen afleveren, dan kan straks niemand dit nog echt – het leidt stukje bij beetje tot een verdere uitholling van kunst. Is dit een elitair uitgangspunt? Instinctief voel ik de neiging deze vraag meteen met ‘nee’ te beantwoorden, ook juist doordat ik de term elitarisme al jaren zo stelselmatig in negatieve context hoor.
Daar moest ik ook afgelopen week aan denken, toen de Poolse schrijver Olga Tokarczuk tijdens een conferentie aangaf dat ze voor haar komende roman kunstmatige intelligentie gebruikte. Ze noemde de nieuwe technologie een enorm voordeel, en ze had AI niet alleen gebruikt als veredelde zoekmachine maar ook om haar ideeën mee te ontwikkelen. Tokarczuk, die in 2019 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg toegekend, legde aan AI halve en hele plannen voor, en vroeg aan kunstmatige intelligentie hoe ze deze kon uitbouwen.
Waarom stoorde dit bericht me zo? Omdat kunstmatige intelligentie zoals bekend teert op grotendeels gestolen waar, omdat de technologie daarmee uiteindelijk alleen maar reproduceert en varianten opdist van wat al bestaat, omdat Tokarczuk bovendien zonder de technologie reeds prachtige, juist onverwachtse literatuur schreef, omdat ik met de beste wil van de wereld niet begreep waarom ze haar toevlucht hiertoe zocht (en waarom ze dit publiekelijk zei). Overigens deelde Tokarczuk na het interview, of wellicht vooral nadat er ophef ontstond, een statement waarin ze aangaf dat ze haar werk wel degelijk zelf schreef. Tevens zei ze al dat dit vermoedelijk haar laatste roman zal zijn omdat lezers belangstelling, tijd noch geld hebben voor grote verhalen.
De gedachte die bij mij vooral komt bovendrijven: dit alles is toch niet, tja, de bedoeling? Of eigenlijk: voor goede kunst is toch altijd een weg voorhanden, en die kunst moet toch draaien om een zekere onverwachtheid, tegendraadsheid, om iets wat niet uit een door bestaand werk gevormde database voortkomt? Of is dit alles van mij ook een elitaire houding?
In De Standaard schreef Lize Spit recent een boeiend opiniestuk dat raakt aan het Tokarczuk-voorval. Spit stelt onder meer dat schrijvers niet moeten ageren tegen zaken als plot of suspense, aangezien alles tegenwoordig geoorloofd is om publiek te vinden: „Literatuur kan zich haar eigen elitarisme niet meer permitteren, nu haar grootste missie geworden is zichzelf in leven te houden, überhaupt lezers aan boord te houden. Wat literatuur je nu echt kost, is niet het geld van de lezer, maar de tijd van de lezer, en die is zoveel waard geworden, er liggen zoveel alternatieven.”
Dit laatste klopt uiteraard. Dat merkt iedereen die zich op enige manier professioneel bezighoudt met kunst, of dat nu het exposeren van een schilderij is op de PAN-beurs, het uitleggen van een roman aan ongeïnteresseerde tieners – het trekken en vooral vasthouden van aandacht is een alsmaar lastigere opgave. De cruciale vraag is hoe daarmee om te gaan. Negeren? Je er expliciet tegen verzetten? Juist meebuigen met de vluchtigheid waaruit de wereld van zovelen nu bestaat? Mij lijkt het standpunt dat alles mag om aandacht te trekken, uiteindelijk twijfelachtig en voor de kunsten zelfs gevaarlijk. Want op die laissez faire-manier vervliegt elk onderscheid tussen simpel en complex werk, tussen hoge en lage cultuur, tussen vluchtig en doorwrocht, tussen kunst die tegemoetkomt en kunst die vervreemdt.
Wat is elitarisme? Volgens velen zijn de voorgaande zinnen er geheid een voorbeeld van. Sommigen vinden het al elitair om überhaupt te geloven in iets als kunst, anders gezegd: in iets dat geen afgebakend, meetbaar nut heeft, iets waar de een meer in ontwaart dan de ander. Af en toe meen ik bij mensen die zweren bij kunstmatige intelligentie zelfs een zekere rancuneuze, bijna wraakzuchtige triomf te ontwaren: kijk aan, sukkels die zoveel waarde hechten aan ongrijpbaar kunstzinnig geploeter, die daardoor werkelijk getroost en geroerd menen te worden, nu kan iedereen met twee klikken ook iets maken, jouw domein is aan het oplossen, je bent niet speciaal.
Maar het grotere probleem is de afvlakking die dit alles in de hand werkt. Er bestaat nu al een overaanbod van als ‘kunst’ gepresenteerde beelden en filmpjes en woorden, waarop veelal de vettige vingerafdrukken van kunstmatige intelligentie te zien zijn. Deze door Bhulai beschreven laagdrempeligheid valt steeds vaker samen met eenduidigheid. Letterlijkheid. Voorspelbaarheid. Licht vervormde herhalingen, echo’s van echo’s, niet meer duidelijk tot één bron te herleiden en nooit meer werkelijk verrassend.
Dit doet bij mij alleen maar het verlangen groeien naar iets dat afwijkt. Kunst waarin bochten worden genomen die niet logisch te verklaren zijn en die ontstaan uit langdurig geploeter. Een registerwisseling waar geen eenduidige logica of structuur in te ontdekken valt. Onverklaarbare rafelranden die voorbij gaan aan elk meetbaar nut of het dominante marktdenken, en die zo de vreemde sensatie teweegbrengen waar boeiende kunst nu eenmaal patent op heeft. ‘Herkenning’ is voor dat gevoel een te simpele term, het gaat om iets wezenlijkers. Of het nou haat, liefde of somberte is, of een mengvorm van dat alles: in de loop der jaren heb ik de grootste emoties waargenomen – en soms überhaupt ervaren – via kunst. Dat raadselachtige, vaak zo individuele sentiment: dat je via een kunstwerk tijdelijk een ander kan worden en jezelf kan terugzien. De troost die daarin besloten ligt.
Misschien stoorde dat me op die PAN-beurs nog wel het meest. De patserige, expliciete eenvormigheid om me heen. Die stoet brallende mensen die meer bezig waren met elkaar en met kunst consumeren, om dat onprettige hedendaagse jargon te gebruiken, dan met iets afwijkends. Mogelijk was die beurs niet zozeer elitair maar mijn houding ten opzichte dit alles. Van al dat rondkijken en door die hal rondslenteren werd ik duizelig. Ik liep langs die kennis met zijn dependance-galerie. Hij zei tevreden dat de zaken goed gingen, dat hier meer geld in omging dan hij ooit binnen de literatuur had gezien. Ik glimlachte hem toe, ik gunde hem alles, en ik liep snel verder, door de kudde, langs de Spumante Bar.
En plotseling, in een schijnbaar vergeten hoekje van de kunsthal, viel mijn oog op een prachtig schilderij. Geen idee wie het had gemaakt, waar het bij hoorde – even leek het alsof iemand het speciaal voor mij daar had opgehangen. In één klap maakte dit mijn hele bezoek de moeite waard, het brallerige rumoer leek zowaar te verstommen. Het doek was helderblauw, met rechts een zwevend gezicht, links een wat onbestemd vierkant: een raam, een lijst? Ik begreep het niet en juist daardoor bleef ik ernaar kijken. Sterker nog, nu ik eraan terugdenk voelt het alsof ik daar nog altijd sta, en even wil ik nergens anders heen. Als dat gevoel elitair wordt genoemd, dan hoop ik dat iedereen van tijd tot tijd te maken krijgt met dergelijk elitarisme.