Theaterfestival Karavaan Het leven zinloos? Nou en. Deze openluchtvoorstellingen op theaterfestival Karavaan laten zien hoe een gebrek aan richting en houvast geen belemmering hoeft te zijn voor een aanstekelijk vitale levenshouding.
Scène uit de voorstelling ‘Happy Days’ van Dood Paard.
In de verzengende hitte verzamelt het publiek zich midden op de dag op een zandafgraving in Castricum, waar actrice Manja Topper in knalroze outfit in een berg zand zit ingegraven. Ze speelt Winnie in Happy Days (1961) van Samuel Beckett. Ondanks haar nogal beperkte bewegingsvrijheid (later zal ze zelfs tot aan haar nek in het zand zitten) en het feit dat, zo vertelt ze, elke dag een kopie is van de vorige, is ze vastberaden haar dag zo positief mogelijk tegemoet te treden.
Locatietheater in Alkmaar en omgeving. Van 22 t/m 31/5. Info: karavaan.nl
Happy Days van Dood Paard. Spel: Manja Topper en Marien Jongewaard. Gezien: 24/5, De Zanderij. Castricum. Tour t/m 23/8. Info: doodpaard.nl
Waan van BOT. Van en door: Job van Gorkum, Doan Hendriks, Tomas Postema, Geert Jonkers. Regie: Jef van Gestel. Gezien: 24/5, Paardenmarkt, Alkmaar. Tour t/m 22/8. Info: wijzijnbot.nl
Haar man Willie (Marien Jongewaard), die zich vaak net buiten haar gezichtsveld begeeft, hoeft maar een enkel woord tot zijn vrouw te richten en geluk overspoelt haar. Communicatie kun je het nauwelijks noemen, wat er tussen de twee plaatsvindt – maar zou hij er niet meer zijn, al was het enkel maar als potentieel registrerende macht, wat zou er dan nog van Winnie overblijven? Besta je nog wel, vraagt Beckett met zijn stuk, als er niemand is om je bestaan op te merken, je gedachten tot zich te nemen? Waarom zou je nog opstaan, in de ochtend, je tanden poetsen, je haar kammen? Winnie huivert bij het beeld dat ze, zonder Willie, enkel nog ‘met samengeknepen lippen voor [zich] uit [zou] staren, de hele dag’.
Topper illustreert Winnies onvermoeibare optimisme met een strakke glimlach die haar gezicht nauwelijks verlaat. Wanneer het gebrek aan respons Winnie te machtig wordt, schieten Toppers woorden, in ijltempo uitgesproken, de kopstem in, wat ze een aangezet meisjesachtig timbre geeft. Dit past weliswaar bij de weerstand van het personage tegen het ouder worden en het verlies dat daarmee gepaard gaat, maar maakt het ook moeilijker de subtiliteiten in Becketts tekst te horen. Het resulteert erin dat Toppers Winnie zich eenvoudiger laat lezen als een ernstig verward individu dan als een tragische uitvergroting van de strijd die we allemaal vanaf een bepaald moment leveren, tegen het oprukkende bewustzijn van onze eigen eindigheid, en de diepe eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. Geen woordenvloed, hoe breed ook de glimlach die erbij wordt opgezet, die daartegen is opgewassen.
Scène uit ‘Waan’ van BOT.
De muziektheatervoorstelling Waan door BOT, neergestreken midden op de Paardenmarkt in Alkmaar, lijkt per ongeluk wel een tweeluik te vormen met deze Beckett, zo mooi lopen de voorstellingen in elkaar over. In een bestelbusje met een oude caravan erachter komt zanger Job van Gorkum aan op een aftandse camping, terwijl hij met uitgestreken gezicht de ondoelmatigheid van zijn leven bezingt.
Waan is een theatraal concert, gemaakt door vier eigenzinnige muzikanten (naast Van Gorkum ook Doan Hendriks, Tomas Postema en Geert Jonkers). De beeldende kracht van de instrumenten die ze live bespelen is voor deze groep minstens zo belangrijk als de muziek die ze voortbrengen. Zo bouwde de groep, net als voor vorige voorstellingen, robotachtige automaten; een zelfrijdende peuterdriewieler met mechanisch aangedreven trommels erop. Een kaal poppenhoofdje, dat in een stevig ritme tegen de caravan bonkt. Overal op het speelvlak gebeurt iets verrassends, ieder beeld is volstrekt origineel.
Maar ook het ogenschijnlijk conventionelere musiceren is bij BOT een visueel feest. Op elkaar gepropt spelen de vier mannen in het kleine caravannetje stomende punk. Aan een gitaar met een meterslange hals worden met een schroevendraaier distorted thrashmetalklanken ontlokt. Een strijkbout, omgebouwd tot snaarinstrument. Een koelbox die dienst doet als bas. Een zingende beer. Waarom? Waartoe? Er wordt door deze mannen maar wat aangeklooid, zo lijkt het, maar dit gebeurt met zo veel plezier en overtuiging dat het, vanaf de tribune, onmogelijk is te stoppen met glimlachen.
Met minstens zo veel geestdrift als waarmee Becketts Winnie haar dag tegemoet treedt, storten deze verloren mannen zich in hun muzikale avontuur. „Ik zou/ ik hoop/ hoe”, sputtert Van Gorkum in een van zijn liedteksten. „Ik moet/ ik ga/ ik zal”, stottert een van de anderen. Voornemens zich iets voor te nemen – maar wat? „Als je het weet, zeg het dan”, klinkt het vanuit vier kelen, op zoek naar een antwoord. Even later wordt gezocht naar de vraag zelf.
Maakt het uit dat er, als puntje bij paaltje komt, geen antwoorden zijn, geen houvast, geen zin, geen vooruitzicht anders dan een onvermijdelijk einde, ooit? Doet dat ertoe, wanneer je altijd nog de vrijheid hebt om, in de tussentijd, met alle hartstocht die je in je hebt, te dansen met een stel vishengels?
Beckett zou er ongetwijfeld van genoten hebben.