Ecologie Veel zweefvliegen lijken op andere, gevaarlijke insecten. Zo voorkomen ze dat ze opgegeten worden. Maar het gaat slecht met ze. Op zoek naar de zeldzame zwarthaarmelkzweefvlieg bij Zeewolde.
John Smit van EIS Kenniscentrum Insecten houdt voorzichtig een kleine woudzwever tussen zijn vingers.
Zoals een flamencodanseres haar waaier rondzwiert, een toreador zijn rode lap, een opgietmeester in de sauna zijn handdoek – zó kunstig en behendig hanteert ook entomoloog John Smit zijn fijnmazige insectennet. Aan zijn getrainde blik ontgaat niets dat vliegt tussen het fluitekruid van het Horsterwold. Een paar keer zwaaien, losjes uit de pols, en hij heeft beet. „Aardhommel.” „Kleine woudzwever.” „Fluitenkruidbij.”
Bij elke soort weet hij een interessant verhaal te vertellen – neem de echte wespvlieg, net als de woudzwever een zweefvlieg die een meester is in het ‘doen alsof’. Maar waar die laatste soort met zijn harige lijfje een kleine hommel nabootst, is de wespvlieg met zijn geel-zwart gestreepte lijf nauwelijks te onderscheiden van een échte wesp. „Zelfs zijn voorpoten zijn afwijkend, zwart en extra lang en plat en worden langs de kop gehouden, zodat het net antennes lijken.” Want daarin verschillen zweefvliegen van stekende insecten: ze hebben veel kleinere voelsprieten en geen angel. Hun voornaamste verdedigingsmechanisme is hun uiterlijk: een insect dat aan mimicry doet, en dus een gevaarlijke of giftige soort nabootst, wordt sneller gemeden door een hongerige vogel. Die heeft al doende allang geleerd dat alles wat geel-zwart is kan steken, of op z’n minst vies smaakt.
Aan de vogels ligt het dus niet dat de zweefvliegen in Europa het zwaar hebben. Ruim een derde van de 890 Europese soorten wordt met uitsterven bedreigd; in Nederland gaat het „notoir slecht” met pakweg de helft van de 340 soorten, aldus Smit. „En zeker twintig soorten zijn de afgelopen decennia al uit ons land verdwenen.” Ook als het gaat om de totale aantallen zweefvliegen, dus ongeacht de soort, is de situatie schrijnend: in dertig jaar tijd lijkt de totale Nederlandse populatie gedecimeerd. „Gemiddeld genomen nemen de aantallen met 3 à 4 procent af per jaar, wat resulteert in een verlies van 50 tot 90 procent in dertig jaar. Die achteruitgang wordt veroorzaakt door een combinatie van onder andere klimaatverandering, pesticidengebruik en stikstofdepositie”, vertelt Smit terwijl hij zijn net stilhoudt boven de struiken. Zwiep, zwap. „Koekoeksbij. Ook een interessant insect. Deze bij heet zo omdat hij zich als een koekoek gedraagt: de vrouwtjes leggen hun eieren in de nesten van andere wilde bijen en broeden dus zelf niets uit.”
In zijn werk bij EIS Kenniscentrum Insecten is Smit gespecialiseerd in bestuivende insecten. De zweefvliegen worden daarbij volgens hem ondergewaardeerd. „Na de bijen zijn ze onze belangrijkste bestuivers. Toch denken mensen sneller aan vlinders. Maar die zijn lang zo behaard niet, waardoor ze veel minder effectief zijn in het verzamelen van stuifmeel.” En dus besloten de entomologen van EIS samen met Natuurmonumenten dat het tijd was om meer aandacht te vragen voor de teloorgang van bestuivers. Op honderdvijftig locaties, verspreid over Nederland, zullen komend jaar maandelijks bestuivers worden geteld.
Dat het slecht gaat met insecten is op zichzelf geen nieuws meer. Al in 2017 schreven Nijmeegse onderzoekers in tijdschrift PLOS One dat de vliegende insectenbiomassa binnen drie decennia met driekwart was afgenomen. En in 2024 publiceerde Smit samen met onder anderen collega Theo Zeegers al een zorgwekkend artikel waaruit bleek dat zweefvliegen in Nederland nog veel sneller in aantal achteruitgaan dan bijen. „De Europese natuurherstelverordening vereist actie om het tij te keren en de negatieve trend te buigen naar een positieve trend in 2030. Daarvoor zijn draconische maatregelen nodig, anders blijven de aantallen maar kelderen. Tegelijkertijd moet er ook gemeten worden om te zien of de maatregelen effect hebben, en daarvoor is de landelijke bestuiversmonitoring. Want als de bestuivers verdwijnen, is dat óók zorgwekkend voor de mens, als je bedenkt dat we voor het merendeel ons voedsel afhankelijk zijn van bestuiving door insecten.”
Op elk van de honderdvijftig tellocaties worden drie transecten gelopen: langs een rechte lijn van zo’n driehonderd meter telt een ervaren waarnemer álle bestuivers – bijen en zweefvliegen – die aan weerszijden binnen anderhalve meter voorkomen. „De helft van de tijd ben je dus aan het speuren, en de andere helft sta je over je telefoon gebogen om alles in te voeren.” In het voorjaar en de zomer wordt elk transect eenmaal per maand gelopen. Een flinke klus voor de pakweg tien ervaren tellers – veel meer mensen zijn er niet in Nederland die zowel bijen als zweefvliegen feilloos kunnen herkennen. „We zijn nu bezig met een professioneel opleidingstraject zodat tellers die al bedreven zijn op het gebied van bijen straks ook zweefvliegen erbij kunnen doen.”
Het allereerste en nog steeds getelde zweefvliegentransect stamt uit 1982 en ligt in het bos Boeschoten, op de Veluwe; ook daar zijn de aantallen al decennia aan het kelderen – in veertig jaar tijd is 40 procent van de soorten en 80 procent van de individuen verdwenen. Maar Smit stelde met een reden het Horsterwold voor, het grootste loofbos van Flevoland. Dit is het leefgebied van één heel bijzondere, zeldzame zweefvliegsoort: de zwarthaarmelkzweefvlieg (Leucozona inopinata). Een soort die sinds 2012 uitgestorven werd gewaand in Nederland, maar die hier in 2024 voor het eerst weer werd gespot. Smit laat op zijn telefoon zien waar zijn collega eerder al stippen heeft gezet. „Hier zie je dat één stuk van het transect in het bijzonder rijk is qua waarnemingen. Daar zullen wel veel bloeiende planten staan, al komen ze ook vaak op de bladeren van bomen voor.”
Dit voorjaar is de soort al herhaaldelijk gezien, vertelde Staatsbosbeheer-boswachter en ecoloog Eric Roeland toen we hem daarnet op de parkeerplaats tegenkwamen. „Maar mei is wel wat laat in het seizoen voor deze soort.” De kans is daarom groter op een withaarmelkzweefvlieg (Leucozona lucorum). Dat iets minder zeldzame familielid heeft eveneens een roodbruin behaarde borst en een brede, melkwitte band op het achterlijf, maar de minuscule haartjes op het uiterste achterste zijn bij die soort niet zwart maar wit, laat Smit op zijn telefoon zien. De doorzichtige vleugels hebben bij beide soorten een lichtpaarse weerschijn. „Er is nóg een melkzweefvlieg met zwarte haartjes op het achterlijf, maar die komt alleen in de Kaukasus voor, dus daar hoeven we hier met determineren niet op te letten.”
Het fijnmazige insectennet waarmee John Smit zweefvliegen zoekt.
John Smit op zoek naar zweefvliegen in het Horsterwold.
Een half uur verstrijkt, een uur, anderhalf uur: in het net belanden allerlei soorten, maar geen enkele melkzweefvlieg. Smit, zichtbaar teleurgesteld: „Ik had echt verwacht dat we op z’n minst een witte zouden tegenkomen.” Ook voor hem zou een zwarthaarmelkzweefvlieg een zeldzame waarneming zijn. Hij heeft het nagekeken: in 2005 zag hij er voor het laatst één, bij Tongeren, op de Veluwe. „Ik heb speciaal mijn camera meegenomen om hem te kunnen portretteren.”
Dat de zeldzame soort zich juist in het Horsterwold thuis voelt, heeft volgens Smit in ieder geval ten dele te maken met de kalkrijke ondergrond. „Daardoor is de kwaliteit van de bodem beter voor naaldbomen, die elders in Nederland niet alleen te kampen hebben met verdroging maar ook met verzuring.” Want ook al staat het Horsterwold bekend om zijn loofbomen, er staan ook sparren tussen. En juist die vormen het leefterrein van de larven van de zwarthaarmelkzweefvliegen. „Het larvestadium is bij zweefvliegen, net als bij veel andere insecten, het belangrijkste deel van hun leven. In die periode eten ze ook vlees – in het geval van de melkzweefvliegen staan er bladluizen op het menu. Dat is vermoedelijk ook een grote oorzaak van hun achteruitgang, want via die bladluizen krijgen ze pesticiden binnen. Eén bladluis is zo erg niet, maar ze eten er honderden, en dus stapelt het gif zich op in hun lijf.” Eenmaal volwassen leven zweefvliegen nog een paar weken; afhankelijk van de soort is dat in de lente of juist in de zomer. „Maar dan zijn ze niet roofzuchtig meer en zoeken ze uitsluitend nog naar nectar.”
Smit gaat voorop in het hoge gras. „Straks, als je thuis bent, wel goed op teken controleren – dat is het risico van het vak.” Zijn eigen eerste kennismaking met zweefvliegonderzoek was al op zijn elfde, ruim veertig jaar geleden. „Toen ging ik met de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, op zweefvliegenkamp naar de Ooijpolder. Destijds waren er veel entomologen die juist in zweefvliegen gespecialiseerd waren.” Op dat kamp determineerde hij met behulp van een loep voor het eerst enkele soorten en hij was direct verkocht. „Die enorme diversiteit aan zweefvliegen vind ik fascinerend. En het is toch geweldig hoe overtuigend hun mimicry kan zijn?”
Vrijwel elke zweefvliegsoort is voor kenners op basis van visuele kenmerken in het veld te onderscheiden. „Alleen de groep van de langlijfjes – te herkennen aan hun lange slanke lijven – lijken zó op elkaar dat je echt onder de microscoop naar de genitaliën moet kijken. Maar over het algemeen volstaat een loepje, of kun je met wat ervaring zelfs al aan de jizz zien wat voor soort het is.” Die jizz is een term die insectenliefhebbers hebben overgenomen van fanatieke vogelaars. „Daar wordt het geheel aan kenmerken mee bedoeld: leefomgeving, vliegwijze, grootte, kleur, geluid, gedrag, noem maar op… Dat totaalbeeld zorgt ervoor dat je in een split second doorhebt wat er ergens vliegt. Haast intuïtief.”
Het is aan die jizz te danken dat Smit, wanneer we al zo’n tweeënhalf uur aan het wandelen zijn, opeens ook razendsnel, halverwege een zin, zijn net weer in het rond zwaait. „Het was een melkzweefvlieg, ik weet het zeker.” Maar helaas: het is de enige keer tijdens onze tocht dat hij er nét een halve centimeter naast zat. Het insectennet is leeg.
De blauwe lucht betrekt, de wind zwelt aan. „Op zich zijn zweefvliegen niet per se mooiweervliegers, ze kunnen wel tegen een flinke bries. Maar het waarnemen wordt gewoon een stuk moeilijker als de vegetatie flink heen en weer waait. En als het te bewolkt wordt laten ze zich ook minder snel zien.” Tijd om de terugtocht in te zetten. Smit inspecteert zijn insectennet. „Ik heb deze pas een paar weken, maar als je er één keer mee in een braamstruik blijft hangen en iets te hard trekt, kan-ie al waardeloos worden.” Dan, net als hij heeft geconstateerd dat het gaas intact is, blijft hij voor een kersenboom staan. Zwap, zwiep: raak.Voorzichtig pakt hij de zweefvlieg uit het net, tussen duim en wijsvinger. Loepje erbij, en dan een brede glimlach. „Moet je die zwarte haartjes zien. Dit is hem. Onmiskenbaar.”
„Dit is hem. Onmiskenbaar.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin