Strafbeschikking Bij het opleggen van taakstraffen en boetes schendt het OM diverse wettelijke voorschriften, zo blijkt uit een nieuw onderzoek van de toezichthouder. Zo worden strafbare feiten fout omschreven en strafbeschikkingen voor buitenlandse verdachten vaak niet vertaald.
De Hoge Raad in Den Haag.
Het Openbaar Ministerie leeft bij het opleggen van strafbeschikkingen nog steeds verschillende wettelijke voorschriften niet na. Dat blijkt uit een dinsdag gepubliceerd onderzoek van de Procureur-Generaal (PG) bij de Hoge Raad, die toezicht houdt op het OM. Zo worden strafbare feiten geregeld verkeerd omschreven en blijven verplichte vertalingen voor buitenlandse verdachten vaak achterwege.
Het is voor de zesde keer dat de toezichthouder vaststelt dat het OM bij strafbeschikkingen strijdig handelt met wet- en regelgeving. Sinds 2008 kan het OM buiten de rechter om zelf boetes en taakstraffen opleggen voor lichtere strafbare feiten, zoals diefstal, mishandeling, rijden onder invloed of bedreiging. In 2025 gebeurde dat 45.500 keer via een zogeheten strafbeschikking.
Vorig jaar februari besloot het OM verdachten veel vaker zelf te gaan bestraffen. Officieren van justitie werden geïnstrueerd vermogensdelicten als diefstal en heling zoveel mogelijk af te doen met een strafbeschikking. Volgens het OM kunnen daardoor meer verdachten sneller worden bestraft en komt meer zittingscapaciteit vrij voor zware strafzaken. De OM-top sprak ook de wens uit dat strafbeschikkingen de norm worden voor vrijwel alle delicten waarop maximaal zes jaar cel staat – de wettelijke grens voor een beschikking.
Het intensievere gebruik van de strafbeschikking leidde tot felle kritiek vanuit de rechtspraak. Het OM mag namelijk geen celstraf opleggen. „Het komt erop neer dat bij bepaalde veelvoorkomende delicten zoals diefstal in feite de gevangenisstraf wordt afgeschaft”, stelde de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak Henk Naves in NRC. Hij wees ook op het gebrek aan openbaarheid: anders dan bij een rechtszaak worden beschikkingen achter gesloten deuren opgelegd.
In het dinsdag verschenen rapport onderzoekt de PG zowel de geïntensiveerde inzet als de kwaliteit van de strafbeschikkingen die in 2025 werden opgelegd voor vermogensdelicten. Daarbij klinkt op beide punten kritiek. Volgens de toezichthouder sluit het nieuwe beleid minder goed aan op de straffen die rechters normaal gesproken opleggen voor zulke delicten. Het OM kiest er namelijk nadrukkelijk voor om minder vaak korte gevangenisstraffen te eisen en zaken vaker zelf af te doen via een strafbeschikking.
Uit een steekproef van 129 dossiers blijkt dat sinds het vorige onderzoek naar strafbeschikkingen in 2022 „het merendeel” van de door het OM aangekondigde verbetermaatregelen – bijvoorbeeld rond de omschrijving en juridische kwalificatie van strafbare feiten – nog altijd niet is doorgevoerd.
Dat hangt voor een belangrijk deel ermee samen dat het OM wil wachten op het nieuwe ict-systeem Emma, dat volgens het rapport pas in de eerste helft van 2027 volledig beschikbaar zal zijn. De PG bij de Hoge Raad constateert echter dat ook in het huidige systeem handmatig aanpassingen kunnen worden gedaan, maar dat dit in de praktijk weinig gebeurt.
Illustratief is de gang van zaken rond verdachten die worden bestraft voor heling – het bezitten of verkopen van gestolen spullen. Juridisch is daar zowel een zware als lichte variant van. In het ene geval weet iemand bijvoorbeeld dat een fiets is gestolen, terwijl hij dat in het andere geval had móéten weten. Het huidige computersysteem van het OM registreert automatisch ‘opzet-/schuldheling’, terwijl uit het dossier soms alleen schuldheling blijkt.
Volgens de PG is dat „niet goed te begrijpen” en bovendien „bezwarend voor de verdachte”: een zwaarder feit verschijnt daardoor op diens strafblad. Van de zestien onderzochte zaken bleek slechts in vijf gevallen handmatig de juiste heling-variant ingevuld.
Een ander structureel probleem betreft de rechtspositie van niet-Nederlandstalige verdachten. Zo blijkt dat in 28 van de 36 strafzaken waarin dat wettelijk verplicht was, de strafbeschikking niet was vertaald. De PG noemt dat „een serieus gebrek” en een „ernstige belemmering” voor verdachten die de Nederlandse taal niet machtig zijn.
De PG adviseert om vóór verdere uitbreiding van het gebruik van strafbeschikkingen na te gaan of de organisatie en automatisering wel in staat zijn wettelijke voorschriften na te leven.