Kamerleden kunnen in debatten hard en vals doen tegen elkaar. Maar het is veel erger, weet zo’n beetje elke Haagse politicus, als je een verhaal houdt in de grote zaal en niemand van de andere partijen loopt naar de interruptiemicrofoon om iets te vragen. Doe je er dan nog wel toe? Als zelfs je grootste politieke tegenstanders niet denken dat ze kunnen opvallen door zich tegen jou af te zetten?
En dus is het voor zo’n beetje iedereen in de zaal onbegrijpelijk wat vorige week dinsdag gebeurt in de Eerste Kamer, in een debat over asiel. BBB’er Robbert Lievense is net achter de katheder gaan staan en Peter Nicolaï van de Partij voor de Dieren heeft al een vraag: komt het niet ook door BBB dat er een tekort aan plekken is in de asielopvang? BBB, vindt Nicolaï, heeft in het kabinet-Schoof stikstofplannen tegengehouden, waardoor er te weinig containerwoningen zijn gebouwd voor mensen met een verblijfsvergunning. „Ik ben nog niet eens begónnen”, zegt Lievense. Nicolaï gaat op het puntje van zijn stoel zitten en meteen na het verhaal van Lievense staat hij weer op. Maar Lievense is snel in zijn bankje gaan zitten, armen over elkaar.
Wat de voorzitter ook probeert: Robbert Lievense blijft zitten. En laat zo de kans voorbij gaan op zeker nog een minuut of tien aandacht voor de BBB-standpunten over landbouw en stikstof. „Hij holde naar zijn stoel als een klein jongetje”, zegt Nicolaï later tegen mij. „Potsierlijk.” Lievense zegt: „Hij was te laat, ik zat al. En ik ben altijd héél procedureel. Anders wordt het een zootje.”
In de Tweede Kamer pakt BBB het diezelfde dag helemaal anders aan. Fractievoorzitter Henk Vermeer mag ’s middags een vraag stellen in het Vragenuur: over windmolens en het overbelaste stroomnet. Het Vragenuur wordt elke dinsdagmiddag om twee uur live uitgezonden op NPO1, alle Kamerleden willen dan graag achter de katheder staan met een vraag en dus is er elke week een lange ‘Lijst van Mondelinge Vragen’ aan een minister of staatssecretaris. Het presidium, het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer, kiest er twee of drie uit. Maar het is Vermeer op een ándere manier gelukt en dat zit zo: Kamerleden stellen ook schriftelijke vragen en de ministers en staatssecretarissen hebben drie weken om die te beantwoorden. En alleen als ze om uitstel vragen: zes weken. Maar als er dan nog steeds geen antwoord is verstuurd, mogen Kamerleden hun vraag aanmelden voor het Vragenuur. En die gaat altijd vóór.
Caroline van der Plas had erover gehoord van een ander Kamerlid en ze had ontdekt dat je zo’n vraag niet al op maandag moest aanmelden. Dan kreeg je het antwoord alsnog en ging het Vragenuur-feest niet door. „Net vóór elf uur op dinsdag”, zegt ze tegen mij in het café van de Tweede Kamer. „Dan heb je ’m sowieso.” In april kwam ze daardoor op tv met een vraag over het vuurwerkverbod en de compensatie voor de vuurwerkbranche.
Minister van Klimaat Stientje van Veldhoven van D66 stuurt haar antwoord over de windmolens op dinsdagochtend naar Henk Vermeer. En of hij zijn vraag voor het Vragenuur alsjeblieft wil intrekken. Ze moet naar een conferentie in Rotterdam over waterstof, ze heeft een afspraak met de minister van Energie van Oman.
Maar Henk Vermeer vindt: „Het kabinet moet zich aan de regels houden.”
Hij zegt nee.
Petra de Koning doet elke dinsdag verslag over de Haagse politiek (p.dekoning@nrc.nl)