Adoptie Het ’tijdgeestargument’ is geen neutrale historische duiding, maar een machtsinstrument. Het verschuift de bewijslast naar slachtoffers, schrijft Christel Don.
Naaiatelier in een fabriek voor kledingDatum1919TrefwoordennaaistersnaaiatelierskledingindustrieFotograaf/ ArbeidsinspectieAuteursrechthebbendePubliek DomeinMateriaalsoortNegatief (zwart/wit)Nummer toegang2.24.03Inventarisnummer2254Bestanddeelnummer256-1350
‘Je moet het door de bril van toen bekijken, er heerste een andere tijdgeest.” Deze zin hoor ik al jaren; van mensen die mijn boeken lezen, van deskundigen die ik interview over historisch onrecht, op feestjes. En onlangs in de rechtszaal, waar ik voor NRC een verslag schreef over de uitspraak in de zaak van de uit Sri Lanka geadopteerde Dilani Butink. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de staat en een adoptiebemiddelaar bij haar adoptie in 1992 niet onrechtmatig hadden gehandeld „gemeten naar de normen van toen”.
Christel Don is journalist en schrijver, onder meer van Afstandsmoeders en De meisjes van De Goede Herder.
Het hof erkende weliswaar dat er in die jaren ernstige misstanden waren bij adopties uit Sri Lanka, en dat zowel de staat als de bemiddelingsorganisatie daarvan wisten. Maar omdat de procedurele regels uit die tijd waren gevolgd, konden zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor Butinks frauduleuze adoptie. Dat een eerder gerechtshof daar anders over oordeelde en Butink in een hoger beroep aanvankelijk gelijk gaf, deed daar niets aan af.
Het is niet de eerste keer dat dit ‘tijdgeestargument’ opduikt in de rechtszaal. In de zaak van afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen, die in de jaren zestig tegen haar wil van haar pasgeboren zoon werd gescheiden, verklaart de rechtbank Den Haag dat „de tijdgeest van nu wezenlijk anders is dan die van toen” en dat de „blik van nu” buiten beschouwing moest blijven. De druk die de moeders hadden ervaren was volgens de rechter „het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode”. De Raad voor de Kinderbescherming trof dan ook geen blaam: de taken en bevoegdheden van de Raad moesten worden beoordeeld in het licht van de destijds gangbare oordelen over ongehuwd moederschap.
Een vergelijkbare argumentatie klonk in de zaak van de meisjes van De Goede Herder, die de congregatie aanklaagden omdat zij als kind in kloostertehuizen dwangarbeid moesten verrichten. De kloostergemeenschap stelde in haar verweer dat de zusters „het goede wilden doen” en dat over de uitwerking daarvan „alleen met de kennis van nu anders kan worden gedacht”. Ook in de uitspraak van de rechtbank komt die tijdgeestgedachte terug: volgens de „huidige opvattingen” hadden de meisjes destijds „niet een passende behandeling” gekregen. Wat dat impliceert: dat het naar de opvattingen van toen kennelijk wel passend was – en dat is nog maar de vraag.
Op het eerste gezicht lijkt het tijdgeestargument genuanceerd, misschien zelfs wijs. ‘Ach kind, zo ging dat vroeger’, hoor je ouderen weleens berustend zeggen – verwijzen naar de tijdgeest lijkt een soort volkswijsheid. Maar wat is die tijdgeest dan eigenlijk? Bij mij roept het in de context van historisch onrecht een beeld op van een soort kwaadaardig spook dat mensen aanzette tot lelijk en immoreel gedrag. Iets waar ze zelf eigenlijk vrij weinig aan konden doen, en dat vind ik precies ook het problematische eraan. Hoe vaker ik het hoor, des te meer ik ervan overtuigd raak dat we de tijdgeest misbruiken. Het is, zowel binnen als buiten de rechtszaal, een retorisch instrument geworden om verantwoordelijkheid te omzeilen.
Begrijpen waarom mensen handelen zoals ze deden, gegeven de normen, structuren en kennis van hun tijd, is noodzakelijk en leerzaam. Zonder dat begrip zouden we het zicht missen op hoe iets kon gebeuren, wie er profijt van had en hoe we voorkomen dat het zich herhaalt. Het probleem is dan ook niet dát de tijdgeest wordt meegewogen, maar de manier waarop dat gebeurt.
Eerst wordt de context opgevoerd als verklaring: zo ging dat toen, dat was de tijdgeest. Maar in de volgende stap wordt die context normatief: omdat het toen zo ging, kan er nu geen aansprakelijkheid worden vastgesteld. Oftewel: wie destijds deed wat (bijna) iedereen deed, handelde per definitie zorgvuldig genoeg. Maar begrijpen waarom iemand iets deed, is iets anders dan vaststellen dat niemand er verantwoordelijk voor was. Daar komt bij dat de tijdgeest helemaal niet zo eenduidig was als het argument suggereert, want in alle genoemde zaken was er destijds óók maatschappelijke kritiek – die werd alleen genegeerd.
Voor mijn boek over de kloosters van De Goede Herder – waar in ruim een eeuw tijd zo’n vijftienduizend meisjes dwangarbeid verrichtten voor onder meer C&A en de Bijenkorf – dook ik in allerlei archieven. Daarbij stuitte ik op krantenberichten uit het begin van de twintigste eeuw over de ‘mensonterende toestanden’ in zogeheten liefdesgestichten. In 1938 publiceerde oud-pupil Marie-Louise Doudart de la Grée een boek over haar tijd bij de zusters in Almelo, als aanklacht tegen het harde regime. Daarop reageerde Gerrit de Jongh, de eerste Amsterdamse kinderrechter, in een opinieartikel in het Utrechts Volksblad dat „religie geen voorwendsel mocht zijn om een kind te beroven van vrijheid, vrolijkheid en genegenheid” – hij herkende haar ervaringen volledig: „Dit boekje kon velen de ogen openen.” Toch duurde het nog tot de jaren tachtig voor de laatste instelling van De Goede Herder haar deuren sloot.
Ook potentiële misstanden rond afstand en adoptie werden in die tijd zelf al voorzien. Bij de invoering van de Adoptiewet in 1956 werd in de parlementaire stukken al erkend dat ongehuwde moeders onder druk konden worden gezet om hun baby ter adoptie af te staan, en wees daarvoor een toezichthouder aan: de Raad voor de Kinderbescherming. Juist die instantie bleek later vaak betrokken bij de scheiding van moeder en kind.
Deze voorbeelden laten zien dat de tijdgeest zelden unaniem is. In het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie, dat vorige zomer verscheen, verwerpt commissievoorzitter Micha de Winter het argument niet voor niets. „Er was niet een tijdgeest”, zei hij, „er waren verschillende tijdgeesten, ook toen waren er al mensen tegen het doen van afstand.” Ik herken dat uit mijn eigen onderzoeken: wie inzoomt, zal vrijwel altijd dissidente stemmen vinden. Door te zeggen: ‘zo ging dat toen’, schuif je die kritische stemmen opnieuw onder het tapijt, en daarmee herhalen we precies wat er destijds gebeurde.
Opvallend is bovendien wie het tijdargument gebruiken. Het wordt vrijwel altijd ingezet door partijen die verantwoording moeten afleggen, en zelden door slachtoffers. In alle genoemde zaken gaat het om mensen wier stem destijds al niet telde: ongehuwde moeders, meisjes uit kwetsbare gezinnen, geadopteerde kinderen. Na de uitspraak in de zaak-Butink verwoordde advocaat Lisa-Marie Komp het scherp: „De hele adoptieketen gaf legitimiteit aan het systeem, terwijl de stem van degene om wie het ging – de biologische moeders en de kinderen – niet gehoord werd. Toen niet, en nu ook niet.”
Het tijdgeestargument is daarmee geen neutrale historische duiding, maar een machtsinstrument. Het verschuift de bewijslast naar slachtoffers en ontslaat daders van de plicht om uit te leggen waarom zij de kritiek die er vaak wél was, naast zich neerlegden.
Dat brengt me bij de toekomst en bij misstanden die wij vandaag de dag normaliseren. Zoals gedwongen uithuisplaatsingen, waarbij kinderen uit kwetsbare gezinnen worden weggehaald terwijl er al jarenlang fundamentele kritiek bestaat op de manier waarop jeugdzorg dit doet – iets waar het Europees Hof Nederland vorig jaar nog op aansprak. Of de gesloten jeugdzorg, waar jongeren terechtkomen in een systeem dat hen aantoonbaar schaadt. In 2024 interviewde ervaringsdeskundige Jason Bhugwandass 51 jongeren over de beruchte ZIKOS-afdelingen. Zijn rapport leidde tot sluiting ervan, maar de meeste aanbevelingen zijn sindsdien blijven liggen – sinds de publicatie hebben vijf jongeren die hij sprak hun leven beëindigd, liet hij in een recent interview weten. Of denk aan vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van intieme terreur, terwijl internationale toezichthouders Nederland er al jaren op wijzen dat de bescherming tekortschiet.
Over twintig of dertig jaar zullen mensen terugkijken op deze praktijken en zich afvragen hoe die hebben kunnen gebeuren. En dan zal er ongetwijfeld opnieuw worden gezegd: laten we het door de bril van toen bekijken.
Tenzij we dat argument leren weerstaan. Rechters kunnen daarin het voortouw nemen door dit soort zaken inhoudelijk te behandelen in plaats van ze af te doen op verjaring of de tijdgeest. Bovendien kunnen zij in hun uitspraken erkennen dat iets moreel onrecht was, óók als het naar de normen van toen juridisch door de beugel kon – zo’n toelichting door een rechter kan voor slachtoffers van grote waarde zijn.
Het vraagt ook iets van ons allemaal. Dat een meerderheid van de samenleving in een bepaalde periode denkt dat iets het beste is, betekent niet dat het dat ook is. Wat óns later zal worden verweten is niet dat we een misstand niet zagen – we zien het, de rapporten liggen er – maar dat we er desondanks voor kozen om niets te doen. Ervaringsdeskundigen en experts die hun nek uitsteken zijn er ook vandaag. Laten we er alles aan doen om ze te steunen, want de tijdgeest van morgen begint bij hen.