Home

Wetenschappelijk aantonen dat muziek vroeger beter was: kan dat?

Muziekwetenschap Onderzoekers die muziek wiskundig onderzoeken vinden dat de liedjes in de loop van de eeuwen steeds minder complex zijn geworden. Maar wat zegt dat over de kwaliteit?

Hiphopartiest Eminem (links) en componist Johann Sebastian Bach.

Is de muziek van vroeger echt beter dan die van nu? In ieder geval is die minder complex geworden, zeggen recente studies. Dat kan gaan over de inhoud van songteksten, melodieën of tonale complexiteit, zoals eind april gebeurde in Scientific Reports. Met allerlei wiskundig gereedschap proberen onderzoekers de kwaliteit van muziek in koude cijfers en rekensommen te vatten. Hoe zinvol is dat?

„Ik denk niet dat muziek slechter wordt, ik denk dat het verandert”, benadrukt datawetenschapper en kunstonderzoeker Niccolò Di Marco onmiddellijk na binnenkomst in ons zoomgesprek. „We hebben in ons recente onderzoek slechts naar een klein deel van de muziek gekeken: de melodie en de harmonie. De rest kunnen we niets over zeggen.” Di Marco kijkt met zijn onderzoeksgroep aan de Tuscia-universiteit (Viterbo, Italië) naar de effecten van maatschappelijke ontwikkelingen op kunstuitingen. Niet door diepgravende analyses van enkele nummers, maar met grootschalige datawetenschap met duizenden muziekstukken.

„Je kunt zo interessante patronen aan het licht brengen”, zegt muzieksocioloog Julian Schaap. Aan de Erasmus Universiteit onderzoekt hij niet de muziek zelf, maar hoe mensen erop reageren. „De kritiek is: muziek valt niet in getallen te vatten, en je moet kunst niet willen kwantificeren. Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Zolang je maar niet beweert dat je kunt bewijzen dat muziek beter of slechter is geworden.”

In het onlangs verschenen onderzoek legt Di Marco de focus op individuele noten en hoe die zich tot elkaar verhouden. Zijn groep analyseerde zo’n 20.000 muzieknummers getranscribeerd tot midi-bestanden: digitale bladmuziek, waarmee elektronische instrumenten kunnen worden aangestuurd. Het midi-systeem codeert wanneer welk instrument welke noot moet aanslaan en of die noot hard, zacht of bijvoorbeeld met vibrato gespeeld moet worden.

Om in één oogopslag de complexiteit van een muziekstuk weer te geven, zetten de onderzoekers de midi-bestanden om in tonale netwerken, bestaande uit knooppunten verbonden met lijnen. De verschillende noten die in het stuk voorkomen, vormen de knooppunten van het netwerk. Zo is er een knooppunt C, knooppunt G, enzovoorts. Die zijn dan weer verbonden met lijnen, die de overgangen tussen noten voorstellen. In een stuk waar een C vaak gevolgd wordt door een G, zullen de twee bijbehorende knooppunten sterk verbonden zijn.

„We bouwen zo een beschrijving van de muziek op die makkelijk te analyseren is”, vertelt Di Marco. „We vragen de computer: hoe gemakkelijk zou informatie zich over dit netwerk kunnen verspreiden? Het antwoord, een getal tussen nul en één, gebruiken we als maatstaf voor complexiteit.” Als voorbeeld laat hij netwerken van een hiphopnummer en een klassiek stuk zien. Het netwerk van Superman (Eminem, 2002) is beperkt verbonden; wie van de ene naar de andere kant van het netwerk zou willen navigeren, heeft slechts enkele mogelijke routes tot zijn beschikking. Dat is niet het geval bij het lied Komm, süßer Tod (Bach, 1736), waar de knooppunten rijkelijk met elkaar verbonden zijn. Het tweede muziekstuk komt in dit onderzoek als complexer uit de bus.

„Een soort landkaart van een muziekstuk”, zegt componist, ex-dirigent en muziekonderzoeker Micha Hamel. „Ik vind het heel prettig om te zien. Al kun je de muziek zelf natuurlijk niet volledig vatten in zo’n landkaart.”

Di Marco en collega’s zetten de complexiteit van hun landkaarten per genre op een rij: hiphop, elektronisch, rock en pop scoren lager, jazz en klassiek steken er bovenuit. Logisch, volgens Schaap. „In jazz en klassiek ligt de focus nu eenmaal meer op tonale complexiteit. In de andere genres is de tekst belangrijker, of een pakkend melodietje.”

Interessanter zijn de grafiekjes waar complexiteit per genre tegen de tijd wordt uitgezet: gemiddeld daalt het lichtjes in elk genre, met jazz en klassiek als sterke dalers. Di Marco: „Nogmaals, we bekijken slechts een klein deel van de muziek. Maar de versimpeling die we binnen dat kader waarnemen, is robuust.”

Over smaak valt niet te twisten

Toen zijn tonale netwerkanalyse vorig jaar als voorpublicatie online kwam te staan, stroomde Di Marco’s mailbox over van de reacties. „Dat hadden we niet verwacht”, lacht Di Marco. „Zulk onderzoek maakt heel wat emoties los, bij twee kampen. Van de ene kant kregen we te horen dat ons resultaat voor de hand lag, en van de andere kant dat we zulke claims helemaal niet konden maken op basis van onze data. Beide wat extreem, vind ik. We leggen in ons artikel heel netjes uit wat we wel en niet kunnen zeggen.”

Dat wetenschappelijk onderzoek naar muziek vaak een gevoelige snaar raakt, weet ook Schaap. „Muziek is mensen zo dierbaar: het klampt zich vast aan hun levenservaring. Als je dat gaat kwantificeren, of op zoek gaat naar grotere patronen, schop je mensen al gauw tegen het zere been.”

An sich vindt Schaap de ontwikkeling in tonale complexiteit interessant. „Al heb ik mijn bedenkingen over wat dit betekent. De voornaamste beperking van het onderzoek is dat midi-format. Wat de verschillende genres definieert, is natuurlijk niet alleen te vangen in melodie en harmonie: ritme, tekst, beats en tempo laten ze buiten beschouwing, maar zijn superbelangrijk voor bijvoorbeeld hiphop of rock. Daarnaast zal alleen muziek die populair genoeg is dat iemand er een midi-transcriptie van heeft gemaakt, in de dataset voorkomen.”

Want de auteurs hebben de muziek niet zelf getranscribeerd, maar gebruiken een bestaande database van midi-bestanden. Die is samengesteld door een programma dat het internet afspeurt op zoek naar transcripties. Di Marco en collega’s hebben vervolgens de midi-versies gekoppeld aan Spotify-data, om de releasedatum en genres van nummers te achterhalen. Di Marco: „We kunnen niet garant staan voor elke transcriptie, maar we hebben zo veel mogelijk gecontroleerd. Ten tijde van het onderzoek was dit onze beste optie.”

Volgens Schaap vliegt een hoop complexiteit onder de radar van dit onderzoek. „In de popcharts vind je een hoop eenheidsworst, omdat bepaalde formules nu eenmaal populair zijn. Maar er is altijd wel iemand op een zolder die iets geks maakt dat niemand snapt, of muziek die niet op de standaardplatforms populair is. Kijk bijvoorbeeld naar het YouTube-succes van Angine de Poitrine: heel toffe, vreemde muziek, die niet zo snel in de topveertiglijsten of midi-datasets zal opduiken.”

Hoe voorzichtig Di Marco en collega’s ook zijn geweest om zulke beperkingen in hun artikel op te nemen: veel muziekblogs en nieuwssites die berichten over het onderzoek, grijpen het resultaat aan als een bevestiging dat muziek vroeger beter was. „Eigenlijk een gek argument”, zegt Schaap. „Waarom zou complexe muziek – en ik herhaal dat ze hier maar naar één eigenschap van de muziek kijken – altijd beter zijn? Is een boek wat ontzettend moeilijk geschreven is, en door veel mensen als onleesbaar ervaren wordt, beter dan een toegankelijker boek? Een normatief debat over wat goed is, kun je per definitie niet objectief stutten.”

Ook met grootschalige datawetenschap geldt dus: over smaak valt niet te twisten. „Maar het debat over kwaliteit is wel superleuk, dus ook ik doe het graag”, grinnikt Schaap. „Zolang je accepteert dat niemand er onbevangen naar kan kijken.”

Knopjes en schuifjes

Los van die discussies blijft het resultaat van het Italiaans onderzoek overeind. Als het op melodische complexiteit aankomt, scoort huidige popmuziek gemiddeld lager dan oudere muziek uit hetzelfde genre. Hamel had zijn tegenwerpingen al klaar, maar was blij verrast bij het lezen van het artikel: „Ze zeggen heel eerlijk: we bekijken alleen de structuurelementen van de muziek, we vatten die op als een dataset en daarin treffen we een bepaalde tendens aan. Ik vind het leuk, bescheiden onderzoek.”

Hamel vindt de afname in melodische complexiteit logisch, met de geschiedenis van opvattingen over muziek in het achterhoofd. „Muziek is nog steeds complex, maar de complexiteit is verschoven. In de 19de eeuw was het ding in de muziek de complexiteit van je harmonie, dat was wat componeren inhield. Met verschillende akkoorden een vorm opbouwen, de spanning van je publiek vasthouden tot de laatste noot van je stuk. Vergelijk het met perspectief in een schilderij: hoe vernuftiger je dat deed, hoe beter je schilderkunst.”

„Tegenwoordig ligt de nadruk meer op klank. Moderne muzieksoftware is overladen met knopjes en schuifjes waarmee je allerlei geluiden kunt produceren; daarin zit momenteel de complexiteit. Daarnaast draait het om het vinden van een refrein waar iedereen op aanhaakt. Dat zie je van The Bee Gees tot The Weeknd tot alles daartussenin: je wil mensen een soort upper geven, ze laten dansen.”

Hamel ziet geen probleem in het kwantificeren van muziek, zolang het maar niet pretendeert muziek volledig te beschrijven. „Ik vind het leuk als niet-kunstenaars zich bemoeien met de kunsten, dat moeten we verwelkomen. Net als dat kunstenaars zich met wetenschappers moeten bemoeien. Uiteindelijk draait zowel wetenschap als kunst om nieuwsgierigheid, toch?”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next