Mathijs Deen In het slotdeel van zijn Waddenthrillerserie lost Mathijs Deen het raadsel op van de dood van de vader van zijn hoofdpersoon. Het levert een ingewikkeld verhaal op.
De kust van Texel bij Den Hoorn.
Zo eenvoudig kan het toch niet zijn? Je denkt even van wel, als er in een flashbackhoofdstuk aan het begin van De visser een lijk aan komt dobberen in de haven van een Duits Waddeneiland. Zonder tanden en kiezen, waarschijnlijk een kunstgebitdrager, maar „te ver heen” om nog geïdentificeerd te worden. Het is april 1984 en een paar weken eerder is de vader van Liewe Cupido, de latere rechercheur van de zeepolitie en de hoofdrolspeler van de Waddenthrillers, vermist geraakt, op zee overboord geslagen van een visserskotter. Verdronken, denken ze, maar hij is nooit boven water gekomen. Is dit onherleidbare lijk dan de verklaring voor alles?
Mathijs Deen: De visser. Alfabet, 348 blz. € 23,99
Dat zou te simpel zijn geweest voor Mathijs Deen (1962), te doorzichtig. Die maakt het bij aanvang van De visser juist extra ingewikkeld, met nóg een voorgaande generatie Cupido’s, een kunstgebit dat je op een dwaalspoor zet, een insluiper in een Texels huis, en een stel echte criminelen.
Dat laatste is nog de verrassendste nieuwigheid in dit vijfde en laatste deel van zijn serie: de georganiseerde misdaad ging tot nog toe voorbij aan de Wadden, waar ze nog gemoedelijk hun achterdeuren van het slot lieten. Nu begint het met subtiel-onheilspellend stil spel: er wordt een pakje bezorgd, de ontvanger haalt een zakmes tevoorschijn „met zijn blik op de postbode” en snijdt het open met een „vlugge haal door het karton”. Minder subtiel gaat het als dit ongure type verderop in het boek op Texel arriveert en meteen gewelddadig wordt.
Deen gaat all-in: er wordt geslopen en gevochten, en een vuurwapen getrokken en in iemands nek gezet. Er komt een geschiedenis van drugstransporten op vissersschepen aan het licht. Allemaal niet écht verwonderlijk natuurlijk, in dit genre, maar als Waddenthrillerlezer besef je nu wel wat een verademing de afwezigheid van misdaadbombast in de eerdere delen was. Dat de norse, zwijgzame Liewe Cupido allerlei onverkwikkelijke, maar toch niet echt aanstootgevende misdaden tot een oplossing puzzelde, was spannend genoeg. Daarbij speelde ook Cupido’s raadselachtige familiegeschiedenis mee, waarmee de serie in feite een psychologische roman in het jasje van een thriller was. Liewe was niet alleen een norse speurder omdat dat bij het genre hoort, maar omdat dat bij zijn karakter past, omdat zijn voorgeschiedenis hem tot norse speurder had gemáákt.
Maar De visser is toch vooral een thriller – en nadrukkelijk het slotdeel. Dat lijdt enigszins onder het euvel dat je vaker ziet bij afrondingen van series: dat er veel lijntjes aan elkaar geknoopt moeten worden, doet de elegantie van het verhaal weinig goed. Nu begint het al met de erg grote toevalligheid dat Liewe Cupido emotioneel net toe was aan een afsluiting van het vaderraadsel (zijn moeder is overleden en haar testament wekt nieuwe vragen over de verdwijning), als een na dertig jaar op Terschelling opgedoken horloge die hele opheldering in een stroomversnelling brengt. Er ontvouwt zich een plot waarmee Deen er zich niet bepaald eenvoudig van afgemaakt heeft.
De visser laat zich waarderen om de complexe, ingenieuze, maar toch helemaal kloppende uitpluizing van de geschiedenis van Liewes vader, die ook nog een verklarende analyse voor de psychologische ontwikkeling van Liewe zelf geeft. Als dat wat afstandelijk en technisch klinkt: inderdaad, dat is het wel. Het complexe verhaal haalt wel wat aandacht weg bij het gevoel, de sfeer, het stille spel waarin Deen zo goed is – iets waar ook zijn magere multigenerationele familieroman Gras (2025) onder zuchtte. De ontknoping van De visser overtuigt feitelijk, maar gevoelsmatig niet helemaal. Vergelijk dat eens met zijn glanzende novelle Het lichtschip (2020) en je moet misschien concluderen dat Deen meer een schrijver is van de diepte dan van de breedte.