Deborah Levy In de nieuwe roman van deze Engels-Zuid-Afrikaanse schrijfster dringt het feministische icoon Gertrude Stein (1874-1946) de levens binnen van drie expats in Parijs, die op zoek zijn naar zelfverwezenlijking.
Een straat in de wijk Montmartre in Parijs.
Parijs is nooit decor alleen. Of het nu The Ambassadors (1902) van Henry James is of Emily in Paris (vijf seizoenen Netflix), hoge cultuur, lage cultuur, maakt niet uit – zodra Angelsaksische personages in Parijs belanden, raken ze losgewoeld van zichzelf, breken ze met vastgeroeste gewoontes en leren ze opnieuw kijken, naar hun omgeving, maar vooral naar zichzelf. Parijs in de kunst is een subtiele transformerende kracht, die geen personage onaangeraakt laat.
Deborah Levy: My Year in Paris with Gertrude Stein; a fiction. Hamish Hamilton, 226 blz. € 19,55
My Year in Paris with Gertrude Stein, de nieuwe roman van de Engels-Zuid-Afrikaanse schrijver Deborah Levy, voegt zich even monter als zelfbewust in deze traditie. Hartstochtelijk zelfs, zou je kunnen zeggen, want de Parijse transformatie, het losbreken uit de gevangenis van het benauwde zelf, wordt hier tot het onderwerp zelf gemaakt.
De ik-persoon, die in veel opzichten samenvalt met Levy zelf, leidt een typisch Angelsaksisch expat-leven in de lichtstad, waarin Parijzenaars slechts een beperkte rol hebben. Ze heeft twee vriendinnen, Eva en Fanny, waarmee ze vrijwel dagelijks optrekt. Ze drinken, kletsen, eten. Eva heeft een huwelijk op afstand met haar Amerikaanse echtgenoot, de Française Fanny houdt er verschillende vrouwelijke minnaars tegelijk op na, en o ja, de kat van Eva neemt ineens de benen. Eigenlijk is het allemaal niets bijzonders.
Ondertussen verdiept de ik-persoon zich voor een nog te schrijven essay in het icoon van het twintigste-eeuwse modernisme, de Amerikaanse schrijver en kunstverzamelaar Gertrude Stein (1874-1946). Het verhaal van Stein en haar trouwe geliefde Alice B. Toklas dringt zich als vanzelf het leven van de drie vrouwen binnen.
Met dat essay schiet het trouwens niet erg op, want Stein mag dan wel een icoon zijn, ze geeft zich niet zomaar gewonnen. De ik-persoon heeft eigenlijk meer met dat andere feministische icoon van het modernisme, Virginia Woolf. Haar werk en leven zijn oneindig meer toegankelijk. Niettemin wordt ze aangetrokken door de weerbarstige Stein, die zichzelf met een ijzig aplomb tot genie verklaarde en boegbeeld van een stroming werd, maar in alle opzichten onbenaderbaar is gebleven, zowel haar persoon als haar werk. Niet voor niets poseerde Stein naar haar eigen schatting meer dan tachtig keer voor het portret dat Picasso van haar schilderde – hij drong maar niet tot haar door.
In My Year in Paris with Gertrude Stein schrijft Levy net als in haar andere werk meanderend en associatief, ze hopt heen en weer tussen de wereld van Stein en haar vriendinnen, zoals je door Parijs wandelt, denkend, observerend, nu eens geconcentreerd, dan weer afgeleid. Niet iedere associatie is even sprankelend, sommige doen wat gewild aan („Yes, Raclette is promiscuous. It will melt for everyone. Right-wing, left-wing, it doesn’t care.”) Daarom duurde het even voor ik mezelf aan Levy’s boek gewonnen gaf.
Ogenschijnlijk is haar relaas een ode aan de veelzijdigheid van het modernisme, met Stein als lichtend voorbeeld, de schrijver die de oude, hiërarchische en patriarchale orde opblaast en nieuwe vormen van existentie mogelijk maakt. Stein werd geboren in negentiende eeuw en had de moed zich – in Parijs natuurlijk – opnieuw uit te vinden. Ze schreef in 1940: „En ik ben dus een Amerikaanse en heb ik de helft van mijn leven in Parijs gewoond, niet de helft die me gevormd heeft, maar de helft waarin ik vormde wat me vormde.”
De vrouwen in het heden van deze roman kun je als haar erfgenamen zien, vrij om hun eigen leven te ‘vormen’. Stein was modernistisch, deze vriendinnen zijn modern. Ze zijn zelfstandig, ze maken hun eigen keuzes, ze zijn seksueel bevrijd. Hemelbestormend kun je ze niet noemen, Franse Fanny zit in de finance, Eva werkt aan een literaire beeldroman, en een essay over Gertrude Stein gaat de wereld ook niet veranderen. Maar niets in hun leven is meer gegeven. Zoals een van de vrouwen zegt: „That’s what modernism is all about. How we put ourselves together.”
Maar jezelf uitvinden is zo eenvoudig nog niet. En het klinkt fantastisch, maar wat betekent het eigenlijk? Gaandeweg maakte de opgewekte toon van Levy’s relaas plaats voor een meer melancholische. Over de blijmoedig vrije levens van de drie vrouwen valt de slagschaduw van de dreiging van oorlog, die ze al scrollend op hun telefoons tot zich laten komen. De ongebondenheid van de ik-persoon begint verdacht veel te lijken op eenzaamheid; ze loopt een pijnlijk blauwtje bij een Fransman die ze zo lelijk vindt dat hij bijna weer mooi wordt. Een van de vrouwen blaast hun Parijse leven zomaar ineens op en keert terug naar een traditionele ordening van haar bestaan. Een verklaring blijft uit. Haar heldin Gertrude Stein blijkt tijdens de oorlog de bescherming van een foute Fransman te hebben genoten, ze heeft zelfs redevoeringen van maarschalk Pétain in het Engels vertaald. En met die weggelopen kat blijkt het ook heel anders te zitten.
Tegen haar luchtige Parijse decor laat Deborah Levy langzaam maar zeker iets wezenlijks verschuiven. Het modernisme waar we de erfgenamen van zijn, verloste ons van de ballast van traditie en hiërarchie, maar de nieuwe opdracht van zelfverwezenlijking betekent niet dat het leven een-twee-drie hanteerbaar is geworden. Integendeel. Ongrijpbaarheid, het besef dat veel in de wereld en in onszelf ons uiteindelijk ontsnapt, hoort misschien wel meer bij het modern zijn dan het ideaal van emancipatie en zelfstandigheid.
Levy weet dat ongemakkelijke besef subtiel door haar relaas te vlechten, zonder zwaar op de hand te worden. De figuur van Gertrude Stein blijft uiteindelijk ondoordringbaar voor haar, net zoals het leven van haar vriendinnen. Haar eigen toekomst wordt getekend door onzekerheid. Ze eindigt haar relaas met een citaat van Stein waarin het hele idee van een identiteit, de heilige graal van de eenentwintigste eeuw, in twijfel wordt getrokken. Je kunt nog zo hard je best doen om jezelf te zijn, maar niemand is ooit zichzelf, „you are never yourself to yourself”. Zo’n persoonlijke openbaring kan alleen Parijs je geven.
De Nederlandse vertaling verschijnt in augustus bij De Geus.