Non-fictie Met Hotels in Parijs 1999 schreef journalist en presentator Pieter van der Wielen een heerlijk boek dat veel meer gaat over de befaamde én onbekende passanten in de stad dan over de hotels die hij daar bezocht.
Schrijver en dichter Dixie Nimmo zit te werken in kamer 38 in het Beat Hotel in Parijs, 1959.
Toen er van booking.com en Airbnb nog geen sprake was, kochten mensen een hotelgids om hun verblijf voor vakantie of weekendtrip vast te leggen. Bladerend door zijn Guide de charme – Hôtels de charme à Paris, editie 1999, ontdekte Parijs-liefhebber Pieter van der Wielen dat hij een kruisje had gezet bij een van de hotels. Hij had geen herinnering aan het hotel, dus hij wist niet of hij er was geweest of het adres had geselecteerd als mogelijke verblijfplaats, maar op dat moment ontstond wel een idee: waarom zou ik niet alle 160 hotels uit deze gids een bezoekje brengen?
Pieter van der Wielen: Hotels in Parijs 1999. Hollands Diep, 240 blz. €22,99
Een kwarteeuw later is Hotels in Parijs 1999 het resultaat, een persoonlijk verslag van de tientallen tripjes die de radio-, tv- en NRC-podcastjournalist Van der Wielen maakte richting de Franse hoofdstad. In twintig hoofdstukken, één voor elk arrondissement, beschrijft hij aan de hand van de hotels die hij bezocht het leven in de stad.
Van der Wielen weet met zwierige pen het stadsleven te beschrijven. Want deze reiziger maakt wel wat mee: een vechtpartij in de ruige Rue Saint-Denis, een kroegentocht met leden van de band Foreigner of een drankje met Youssou N’Dour na een concert, een intieme ontmoeting met het hondje van Charlotte Gainsbourg of een onzachte kennismaking met een glijdende Citroën in de besneeuwde Rue Mouffetard. Hij kwam er gelukkig met kleerscheuren en een gratis koffie van de chauffeur vanaf. We reizen mee naar broeierige jazzkelders en luxe restaurants, waar de man een menukaart met prijzen krijgt, en de dame een zonder.
We leren zelfs een beetje de vriendinnen van Van der Wielen kennen. Met de vriendin die vraagt of Parijs nooit gaat vervelen is het natuurlijk niets geworden. Een andere geliefde, een stuk jonger, vindt die hele onderneming om een boek over de hotels van Parijs te schrijven een stom plan waar niemand op zit te wachten. Dat was dus ook snel voorbij. Een paar jaar later ziet hij deze ex in de krant, ze is gedebuteerd met de roman De Hotelgids, over een rondfladderende muzikante die alleen maar in hotels leeft. Haar verhaal begint met de breuk met haar toenmalige geliefde, een lieve radiopresentator met een stem om bij klaar te komen, van wie ze het idee ‘leent’ om de gids te schrijven. Zo eerlijk is ze wel. Twee fijne boeken voor de prijs van één idee, we kunnen er als lezer maar blij om zijn.
Maar terug naar Van der Wielen. Ook al beschrijft hij weleens de geur of het interieur van een hotel, de adressen zijn toch grotendeels een aanleiding of zelfs een excuus om verhalen te vertellen over de bekende inwoners van Parijs, excentriekelingen en gewone stervelingen van toen en nu. Van der Wielen heeft duidelijk erg veel over Parijs gelezen en hervertelt hier de smakelijkste verhalen. Dat levert mooie anekdotische passages op over buitenlandse beroemdheden die ooit in Parijs verbleven en hun hotelvoorkeuren, van Rainer Marie Rilke en James Joyce tot Ernest Hemingway, van Miles Davis en Chet Baker tot Naomi Watts, prinses Diana en Bruce Willis, en natuurlijk van de vele bekende Fransen die een deel van hun hart in de hoofdstad verloren. Dichter Arthur Rimbaud, schrijver-trompettist Boris Vian, verzetsheld Jean Moulin, ze passeren allemaal de revue.
Van der Wielen rakelt niet alleen bekende verhalen op. Er zitten ook enkele hele rake observaties over het leven in Parijs in zijn boek. En ondanks zijn duidelijke liefde voor de stad en zijn bewoners spaart hij de roede niet. „Een ware Parijzenaar vindt zichzelf het toonbeeld van beschaving en wordt elke dag doorlopend blootgesteld aan de barbaarse rest van de mensheid”, schrijft hij ergens. Anders dan luidruchtige Amsterdammers maken Parijzenaars hun ongenoegen subtiel kenbaar, zuchtend of rollend met de ogen. Je zal een Parisien nooit ‘Klllloooootzak!’ horen roepen, hij zucht hoogstens ‘Je rêve, c’est pas vrai’. En als je Parijzenaars hoort klagen over de toestand van hun stad, dan kan je beter niet meedoen. Want Parijs verketteren is het voorrecht van echte Parisiens, als toerist behoor je Parijs alleen maar fantastisch te vinden.
Van der Wielen heeft ook aandacht voor de keerzijde van het luxueuze en snobistische Parijs, voor de keukenhulpen die in alle vroegte in anonieme busjes worden aangevoerd en ’s avonds weer afgevoerd, en voor de schoonmakers die in sommige hotels exact vier minuten krijgen om een kamer te fatsoeneren. „Een hotel is evengoed een decor van armoede als van luxe.”
Wat ons bij de vraag brengt wat de realisatie van dit plan moet hebben gekost. Sommige hotels rekenen vele honderden euro’s per nacht. Misschien is Van der Wielen daarom gestopt na 93 van de 160 hotels – of hij heeft ze gewoon niet allemaal beschreven, dat is onduidelijk. Sommige arrondissementen komen er ook wat bekaaid vanaf, de auteurs van de gids selecteerden bijvoorbeeld geen enkel hotel in het 20ste arrondissement. Maar ook het tiende, met de levendige buurten rond het Canal Saint-Martin, krijgt slechts één vermelding. En dat is gek genoeg niet het Hôtel du Nord langs het kanaal, ooit het decor én de titel van een klassieke film van Marcel Carné uit 1938.
Maar het zijn details. Van der Wielen schrijft liefdevol over Parijs en zijn inwoners, wat het boek een plezier maakt om te lezen. Ideale lectuur ter voorbereiding van die volgende citytrip.