Joris Beemster doorzocht eeuwenoude archieven en zag hoe het verschil tussen eb en vloed op veel plekken is gegroeid. „Een storm komt in diezelfde trechter terecht.”
Joris Beemster in de Nieuwe Maas bij Heijplaat, Rotterdam.
Joris Beemster woonde vanaf zijn tiende in het piepkleine Zeeuwse dorpje Griete, pal aan de Westerschelde. De modder, de zee, eb en vloed, hij vond het vanaf jonge leeftijd „fascinerend”, vertelt hij in zijn werkkamer op de Wageningen Universiteit. Hij herinnert zich bijvoorbeeld hoe zijn laars eens vast bleef zitten in de modder, door het water werd meegenomen en vier maanden later weer aanspoelde, bezaaid met zeepokken. Als het water zich terugtrok uit het getijdengebied van de Schelde, bouwde hij daar zandkastelen. „En als het tij dan opkomt, hoop je dat-ie het houdt.”
Tegenwoordig zijn getijden Beemsters academische onderzoeksveld, waarop hij begin volgend jaar hoopt te promoveren. In riviermondingen is het verschil tussen eb en vloed sterk gegroeid, blijkt uit zijn onderzoek. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel overal, maar menselijke ingrepen, zoals het aanleggen van dijken, polders, het baggeren van vaargeulen, hebben in riviermondingen een veel grotere invloed gehad op het rijzend water dan de opwarmende aarde. Dat is de opvallende conclusie uit zijn meest recente studie, die twee maanden geleden verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Geoscience. De snel stijgende vloedgolven, die het gevolg zijn van menselijke ingrepen, zijn schadelijk voor planten en dieren. Ze kunnen ook, zo waarschuwt Beemster, voor mensen gevaarlijk zijn.
Is dat eigenlijk al eens misgegaan? „Nou, ik denk dat de Watersnoodramp daar wel een voorbeeld van is”, zegt Beemster „Het aanleggen van dijken was toen allang gaande, daardoor krijg je een trechtervorm en heeft het getij minder ruimte om uit te spreiden.” Het is slechts één van de manieren waarop mensen vloedgolven vergroten, vertelt Beemster. Gecombineerd met een springtij, zoals het geval was in die februari-nacht van 1953, kon het resulteren een van de grootste Nederlandse natuurrampen.
„Sindsdien zijn onze dijken gelukkig ingesteld op het type storm dat maar eens in de tienduizend jaar voorkomt, dat is ten opzichte van andere plekken ter wereld heel veel”, zegt Beemster. „In Amerika hebben ze wat ze ‘high tide flooding’ noemen. Daar kan zelfs zonder storm, met springtij, bijvoorbeeld een parkeerplaats onder water lopen.” Met zulke kleine marges kan het volgens hem snel misgaan.
Op het whiteboard op de werkkamer van Beemster hangt een kopie van een kaart van Zeeland uit de zeventiende eeuw. De provincie ziet er dan nog wezenlijk anders uit. Bij gebrek aan moderne dijken, sluizen en dammen, zoekt het water een weg dwars door de nu bekende eilanden. Zeeuws-Vlaanderen, waar de ouders van Beemster wonen, is op de kaart een aaneenschakeling van kleine eilandjes, het omliggende land staat in elk geval een deel van de tijd onder water.
Sindsdien is het landschap ingrijpend veranderd. „Kijk, deze foto stuurde mijn vader toevallig gisteren.” Beemster laat zijn mobiel zien, met daarop een vlak, laag gelegen akkerland, met aan de horizon een hoge dijk. Achter die dijk: een reusachtige muur van containers. Het is een containerschip op de Schelde. „Dit soort flatgebouwen komen daar tegenwoordig voorbij. Die gaan vooral naar Antwerpen.”
Om de commerciële scheepvaart mogelijk te maken, hebben mensen het water op allerlei manieren naar hun hand gezet. „We hebben het voornamelijk veel dieper gemaakt”, zegt Beemster. „We hebben vaargeulen gegraven om te zorgen dat schepen zo diep landinwaarts kunnen komen.” Dat was zeker nodig bij de oude Europese havens, die destijds relatief ver van zee werden gesticht, juist om het woelige zeewater op afstand te houden. „Dat schip dat ik net liet zien”, zegt Beemster verwijzend naar de foto van zijn vader. „Dat had honderd jaar geleden natuurlijk niet zo ver kunnen komen. Daar hebben we veel estuaria voor verdiept.”
Maar dat is niet het enige. „Ze willen snel in Antwerpen zijn, of in andere havens die landinwaarts liggen, maar een rivier die gaat normaal gesproken meanderen.” Die bochten in een rivier kosten de schippers tijd. „Dat proberen ze dan recht te trekken.” En: „Normaal gesproken krijg je een soort van duintjes op de bodem. Die haal je ook weg, de bodem maak je glad.” Bovendien zijn langs de riviermondingen steeds meer en hogere dijken gelegd. Dat gebeurde ter bescherming van de bevolking, maar ook voor de landbouw: om land te winnen van het water.
Al die ontwikkelingen hebben ingrijpende gevolgen gehad voor de manier waarop het water zich gedraagt, zegt Beemster. „In riviermondingen zoals de Schelde, of de Eems in het noorden van Nederland, wordt het getij voornamelijk gestuurd door hoe dat estuarium eruitziet. En daar hebben we gigantische veranderingen in aangebracht.”
Wat hebben we ons daarmee op de hals gehaald? Beemster stelt voor om ondertussen te gaan lopen naar de universiteitsbibliotheek, waar hij eeuwenoude kaarten van riviermondingen heeft laten klaarleggen. Al lopend over het terrein van de universiteit, vertelt hij hoe alle menselijke ingrepen van de afgelopen eeuwen telkens bijdroegen aan hetzelfde effect.
De meeste riviermondingen hebben van nature een soort trechtervorm, legt Beemster uit. Als de monding smaller wordt en het water ondieper, dan wordt de getijgolf hoger. Tegelijkertijd kan weerstand, zoals bochten, heuveltjes en begroeiing, de golven afremmen. „In een natuurlijk systeem krijg je een soort balans tussen die twee krachten”, zegt Beemster. „Vroeger waren ze ongeveer gelijk, of was de frictie zelfs iets sterker. Dan doofde de getijgolf langzaam uit.”
Maar de mens heeft die balans verstoord, in het voordeel van de golf. Buitendijkse gebieden, die door het sediment natuurlijk waren gegroeid, werden ingepolderd met een nieuwe dijk. „Daardoor haal je weerstand weg en kan je de trechtervorm ook nog wat sterker maken. Als het hoog water zich normaal gesproken over een breed intergetijdengebied kan uitspreiden, dan blijft de golf ook wat lager. Nu kan het niet uitspreiden, dus wordt het hoger.”
Het rechttrekken van de meanderende rivieren had eenzelfde effect. „Ten eerste is zo’n bocht langer, dus heb je een langer stuk waarop de stroming weerstand ondervindt. Maar de bochtstroming is ook complexer, het levert gewoon meer weerstand op dan een rechte bak.” Dat gebeurde niet alleen in de Schelde, maar ook in Frankrijk, Duitsland, China en Bangladesh. „Eigenlijk overal ter wereld waar mensen zijn, zien we verschillende menselijke invloeden die bijna allemaal ervoor zorgen dat de balans stevig richting die trechter aan het vallen is.”
In de Europese rivieren, waar havens vaak diep landinwaarts liggen, zag Beemster de grootste veranderingen. Dat geldt voor de Franse rivieren de Seine en de Loire, maar zeker ook voor de Elbe en Wezer in Duitsland. „In Duitsland heb je de haven van Hamburg, die ligt misschien wel honderd kilometer landinwaarts, dus de vaarroute moet je ook honderd kilometer op diepte houden. Daar zie je nu meer dan drie meter verschil tussen hoog- en laagwater, op plekken waar vroeger misschien maar een meter verschil was. Dat is echt wel significant.”
Het verschil tussen eb en vloed is niet alleen groter geworden, het water komt ook sneller en met meer kracht binnenstromen. Omdat het water dan niet zo snel weg kan, stijgt het peil nog verder. Dat vraagt om hogere dijken, maakt het water zouter en verandert de ecologie. Het maakt vloedgolven bovendien gevaarlijker, zegt Beemster, want tijdens een storm wordt het normale effect van het getij verder versterkt. „Die storm komt in dezelfde trechter terecht.”
Wat is daartegen te doen? Beemster moet even nadenken. „Het is een goede vraag. Want in Nederland wordt al snel gekeken naar ontpolderen.” Beleidsmakers hebben in het verleden geopperd om de dijken in Zeeuws-Vlaanderen door te steken en grote stukken land terug te geven aan de zee. „Dat helpt op zich wel denk ik. Tegelijkertijd kom ik er ook vandaan en vind ik dat er soms te makkelijk over gedacht wordt. Daar heb ik soms wel moeite mee.” Het alternatief is de vaargeul minder diep maken, zegt Beemster, maar dat heeft natuurlijk economische gevolgen voor de haven van Antwerpen.
We zijn ondertussen aangekomen in het archief van de universiteitsbibliotheek, waar eeuwenoude vergeelde kaarten uitgespreid liggen over een ronde tafel. Er liggen kaarten van de Rijn bij Rotterdam, van de Eems bij Groningen en een opnieuw kaart van Zeeland, een origineel dit keer, uit 1681. De eerste dijken staan ingetekend, die soms nog steeds bestaan, en met piepkleine handgeschreven cijfertjes is de diepte van verschillende vaarroutes aangegeven. Het is soms „humbling”, zegt Beemster: het maakt je nederig als je ziet wat ze toen al konden.
Op tafel ligt ook een kaart van Suriname, waarschijnlijk gemaakt rond 1700. Beemster trof in Europese archieven heel veel data en kaarten aan van voormalige koloniën. „Dat zijn gedetailleerde kaarten waarvan de landen soms zelf niet zullen weten dat die nog bestaan. Terwijl dat misschien wel de landen zijn die het hardst worden getroffen door zeespiegelstijging en veranderend getij.” Ooit hoopt Beemster in zijn onderzoek de voormalige koloniën centraal te stellen. De archiefstukken maken het mogelijk om te zien welke menselijke ingrepen het getij hebben versterkt. „Ik denk dat we het een beetje aan onze stand verplicht zijn om dat naar boven te halen.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin