Misdaadkroniek Misdaadverslaggever Arnold-Jan Scheer filmt sinds de jaren tachtig oude Amsterdamse penoze met illustere namen als Frits van de Wereld, Pistolen Paultje en Zwarte Joop. Veertig jaar later maakte hij zijn film over „dingen die je niet wilt geloven maar ook niet kunt negeren” af met hun zonen en kleinzonen.
Oud-performer Rob van Delden voor seksclub Casa Rosso op de Wallen in Amsterdam.
Het hart van Amsterdam. Regie: Arnold-Jan Scheer, Roy Dames, Sven Jacobs. Lengte: 99 minuten.
Te zien in de bioscoop.
Ze hadden geweldige bijnamen, de mannen van de oude Amsterdamse penoze. Neem onderwereldkoning Frits van de Wereld. Die heette naar het door hem gerunde café aan de Zeedijk en werd rijk met gokken, bordelen en een „klein bootje met hasj”. Dan was er wapenhandelaar Pistolen Paultje, die al als scholier al zijn geld uitgaf aan wapens. En natuurlijk Zwarte Joop, met zijn rovershaar en woeste baard, die ver buiten de hoofdstad bekend werd door zijn seksclub Casa Rosso aan de Oudezijds Achterburgwal. Zijn leven wordt momenteel verfilmd door Tim Oliehoek in de serie Koning van de Wallen die eind volgend jaar op tv wordt verwacht. Over cannabiskoning Henk de Vries werd vorig jaar de serie Amsterdam Empire gemaakt, waarin zijn beroemde coffeeshopketen The Bulldog voor het gemak The Jackal werd genoemd.
De geschiedenis van de Amsterdamse penoze bestaat uit sterke verhalen die bij nader inzien niet zo sterk waren als ze leken, zoals misdaadjournalist Arnold-Jan Scheer opmerkt aan het begin van zijn documentaire Het hart van Amsterdam. Fictie dreigt de zaken vaak te romantiseren. De geïdealiseerde mores van vechtersbazen die met de pet rond gingen als iemand in de buurt krap zat, zijn ook gewoon dodelijke erecodes en een zwijgcultuur met veel verliezers. Niet iedereen met Amsterdamse branie is automatisch een held.
Scheer kan het weten, want hij groeide op als kind van de Wallen, waar zijn grootvader een koeriersdienst onderhield. Dus toen hij in de jaren tachtig begon als misdaadverslaggever voor Nieuwe Revu keerde hij vaak terug naar zijn buurt. Maar hoe meer hij te weten kwam van de verhalen achter de verhalen, hoe minder hij de „magische aantrekkingskracht” van die bijgoochems ervoer: „Soms hoor je dingen die je niet wilt geloven maar ook niet kunt negeren.”
Documentairebeelden kunnen dan op een andere manier ‘magisch’ zijn. Neem bijvoorbeeld een gesprek tussen Scheer en Van de Wereld over zijn bemoeienissen met de drugswereld. Dan valt op hoe dat karakteristieke penozejargon een manier is om met heel veel woorden niets te zeggen: „We zijn voor schut gegaan. We hebben onze tijd uitgezeten. Afgelopen. Uit.” Het gaat niet alleen om zijn woorden, want je hangt nog steeds aan zijn lippen. Maar om hoe hij dat allemaal zonder met zijn ogen te knipperen kan vertellen. IJskoud. Of tintelt daar toch een lachje? En is dat niet nog veel griezeliger?
Later blijkt dat de zoon van Van de Wereld aan een overdosis is overleden toen harddrugs en georganiseerde misdaad vanaf de jaren tachtig het wereldje minder gezellig maakten. Ook kleinzoon Frits jr. komt aan het woord. Na de dood van zijn opa wil hij dan wel met zoveel woorden toegeven dat al dat geld ergens vandaag moet zijn gekomen natuurlijk. Want: „Geld doet alles met je. Als je het eenmaal hebt, dan wil je steeds meer.”
De zusjes Fokken in een scène uit ‘Het Hart van Amsterdam’.
Ben je niet heel erg in de Nederlandse misdaadgeschiedenis ingevoerd, dan is het best opletten geblazen. Het hart van Amsterdam combineert het materiaal dat Scheer en zijn team in de jaren tachtig draaiden met nieuwere interviews en archiefmateriaal. Soms worden de sprekers even met hun naam geïntroduceerd, soms ook niet. Dat het in de jaren tachtig helemaal mis ging in de buurt is echt iets dat je moet weten. En alleen al de protestposter die toen aan de kop van de Zeedijk hing verdient meer uitleg voordat je denkt dat de gemeente de buurt toen echt tot rampgebied had verklaard.
Scheer is de verteller van zijn eigen film, en er komen naast Frits Jr. ook andere kinderen van de buurt aan het woord, zoals misdaadjournalist Bas van Hout, die als negenjarige door Maurits – Zwarte Joop – de Vries onder zijn hoede werd genomen. Een kleine bijrol is weggelegd voor de wijkagent die ook al zo’n mooie bijnaam kreeg: Joep de Fluiter. Zo wordt er wat stof weggeveegd van niet helemaal opgeloste zaken, zoals de brand die in 1983 in de Casa Rosso werd gesticht.
Al met al een geweldig tijdsdocument. Wat mij betreft mag de grotendeels gecrowdfunde film best tot een driedelige serie worden uitgesmeerd. Maar ook dan was het vast onmogelijk geweest om alle vragen te beantwoorden: „Je kunt wel dingen weten, maar je kunt ze niet altijd zeggen.”