Klimaatverandering Het ernstigste emissiescenario lijkt van tafel, wat leidde tot opluchting in de media. Maar die opluchting is onterecht, schrijft Gerrit Hiemstra: want een wereld die veilig is bij een opwarming van 2 graden is óók onwaarschijnlijker geworden.
Een overstroomde straat in Chalonnes-sur-Loire in het westen van Frankrijk.
Begin deze maand brachten veel media het nieuws dat het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, het hoogste emissiescenario van broeikasgassen geschrapt zou hebben. Tussen de regels door was opluchting te lezen. „Klimaatwetenschappers nemen afscheid van extreme scenario’s”, kopte de NOS. „De meest extreme klimaatscenario’s zijn niet langer realistisch”, stond er boven het artikel bij NRC. En bij de Volkskrant: „IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog ‘maar’ 3,5 graden in 2100.”
Gerrit Hiemstra is meteoroloog en oud-weerpresentator van het NOS Journaal. Verder is hij actief als ondernemer en spreker.
Deze koppen wekken de suggestie dat het met de klimaatverandering wel mee zou kunnen vallen. Die opluchting is echter voorbarig. Voortbordurend op een Bluesky-post van Aaron Thierry (Cardiff University), de inspiratie voor dit opiniestuk: veel mensen realiseren zich niet dat we nog steeds een sterke opwarming van het klimaat kunnen krijgen, ook zonder extreem hoge emissies van broeikasgassen.
Het nieuws was gebaseerd op een wetenschappelijk artikel van het CMIP, een onderzoeksproject van het World Climate Research Programme (WCRP). Dat artikel bevat een voorstel voor een nieuw pakket van verschillende emissiescenario’s van broeikasgassen. Deze emissiescenario’s worden gebruikt als input voor klimaatmodellen. Met die klimaatmodellen kunnen klimaatwetenschappers inschatten hoe het klimaat reageert op toekomstige emissies van broeikasgassen.
Maar het klimaat reageert niet direct op emissies. Het klimaat reageert op het saldo van de energiebalans aan de bovenkant van de atmosfeer. Dat heet ook wel stralingsforcering. Is de energiebalans precies nul, dan is het klimaat stabiel, is de energiebalans negatief, dan koelt het klimaat af. Slaat de energiebalans door naar de positieve kant, dan warmt het klimaat op. Het saldo van die energiebalans is al lange tijd positief, er is dus een overschot aan energie en dat leidt tot voortgaande opwarming.
Het proces om van broeikasgasemissie naar stralingsforcering en vervolgens naar opwarming te komen, verloopt via een keten: van broeikasgasemissies naar broeikasgasconcentraties, naar stralingsforcering, naar klimaatopwarming en dan naar de gevolgen ervan. Dit kun je ook de opwarmingsketen noemen. Elke schakel in deze keten heeft zijn eigen onzekerheid. En deze onzekerheid is niet gunstig voor ons.
Het eerdergenoemde CMIP-artikel zegt alléén iets over de eerste schakel van deze keten: RCP 8.5, het oude, extreem hoge emissiescenario, is onwaarschijnlijk geworden. Dit is echter niet meer dan een logische update van het vorige pakket, op grond van wetenschappelijke overwegingen. Maar het wordt door veel media en klimaatsceptici geïnterpreteerd als: het risico op hoge opwarming is van tafel. Dat klopt echter niet, want RCP 8.5 zegt alleen iets over de eerste schakel in de opwarmingsketen.
De andere schakels in de opwarmingsketen pakken voor ons helaas niet zo goed uit. Te beginnen met de stap van broeikasgasemissies naar broeikasgasconcentraties in de atmosfeer. Naarmate de aarde opwarmt, absorberen bossen, bodems en oceanen steeds minder van de broeikasgassen die we uitstoten. Door terugkoppelingseffecten in de koolstofcyclus kan een lagere emissie van broeikasgassen nog steeds leiden tot hogere concentraties broeikasgassen in de lucht. Dus: lagere emissies door de mensheid, maar toch hetzelfde resultaat.
Deze terugkoppelingseffecten zijn nu al bezig. Voorbeelden zijn het ontdooien van de permafrost en de bosbranden in het Arctisch gebied. Deze processen leveren nu al ongeveer een kwart van het koolstofbudget om onder een opwarming van 1,5 graden Celsius te blijven. Deze processen gebeuren nu al, veel eerder dan de eerdere emissiescenario’s veronderstelden.
Dan de schakel van broeikasgasconcentraties naar stralingsforcering. Uit recent onderzoek blijkt dat als we alle broeikasgassen meerekenen, de toename van de stralingsforcering momenteel het oude RCP 8.5-pad volgt, ruim boven die van de lagere emissiescenario’s. Het blijkt dat het verschil tussen de uitgaande straling en de binnenkomende straling aan de rand van de atmosfeer steeds groter wordt, met als gevolg dat er steeds meer energie in de atmosfeer ‘over’ is en dat leidt tot meer opwarming en ook tot een versnelling van de opwarming.
De volgende schakel in de opwarmingsketen is het proces van stralingsforcering naar opwarming. Daarbij gaat het om de klimaatgevoeligheid: hoe sterk reageert het klimaat op veranderingen in de energiebalans. Satellietmetingen van de energieonbalans van de aarde laten steeds minder ruimte voor de mogelijkheid van een lage klimaatgevoeligheid. Dat betekent dat dezelfde stralingsforcering naar verwachting meer opwarming zal veroorzaken dan de eerdere lagere schattingen suggereerden.
Kortom: terugkoppelingen in de koolstofcyclus zorgen voor hogere broeikasgasconcentraties (bij dezelfde emissies door de mensheid). Stralingsforcering zit al op het niveau van het hoogste emissiescenario. En een lage klimaatgevoeligheid wordt steeds onwaarschijnlijker. Dit betekent dat sterke opwarming nog steeds tot de mogelijkheden behoort, ook bij lagere emissiescenario’s dan het oude RCP 8.5-scenario.
Daarmee zijn we er nog niet want er is nog een laatste stap in het proces: die van klimaatopwarming naar de gevolgen daarvan. De spreiding van mogelijke gevolgen van een bepaald opwarmingsniveau is groter dan wat gewoonlijk wordt gecommuniceerd. Recent onderzoek naar extreem weer laat zien dat bij een opwarming van 2 graden de ergste scenario’s voor droogte, extreme regenval en brandgevaarlijk weer overeenkomen met de gemiddelde gevolgen van een opwarming van 3 of 4 graden.
Ook de drempelwaarden voor ‘tipping points’ zijn aanzienlijk naar beneden bijgesteld. Er wordt nu geschat dat het smelten van de Groenlandse ijskap, het instorten van de West-Antarctische ijskap en het afsterven van warmwaterkoraalriffen al bij een opwarming van ongeveer 1,5 graden kunnen gebeuren.
Het is de moeite waard om de betekenis van het woord ‘onwaarschijnlijk’ eens om te draaien. Het CMIP-artikel laat zien dat het oude RCP 8.5-scenario onwaarschijnlijk is geworden. Dat is mooi. Maar helaas lijkt het erop dat een wereld die veilig is bij een opwarming van 2 graden óók onwaarschijnlijker is geworden.
We kunnen dit op twee manieren interpreteren. Ten eerste: we hebben minder manoeuvreerruimte dan we dachten. Ten tweede – en dit is belangrijk: elke schakel in de opwarmingsketen is ook een schakel waarop we kunnen ingrijpen. Het verminderen van emissies heeft meer effect dan we dachten. Dat geldt ook voor het beschermen van carbon sinks (natuurlijke koolstofopslag). En ook voor het opbouwen van een veerkrachtige samenleving.
We zijn het extreemste klimaatscenario niet kwijt, we hebben slechts één theoretische route ernaartoe beperkt. Verschillende andere scenario’s hebben een grotere bandbreedte gekregen. Maar de ‘worst case’ is nog helemaal niet opgelost. Het hangt af van wat we nu gaan doen. We kunnen nog altijd maatregelen nemen om de gevolgen aanzienlijk te beperken. En dat is wat zowel de critici als de doemdenkers gemist hebben.