Hoe moeilijk het is om je van jezelf voor te stellen dat je ellendige en gruwelijke dingen zou doen. Fouten maken, achteloos zijn, ruw zelfs, ja, dat kan, dat gebeurt. Onredelijk zijn ook. Maar wreed, moorddadig, mensen vernederen, pijn doen, doden misschien zelfs wel? Nee, denk je, daartoe ben ik niet in staat.
De Israëlische soldaat die deelneemt aan de ontruiming van een Arabisch dorp, denkt dat ook. Hij wil dit niet, denkt-ie. Dat vindt hij niet zo sterk van zichzelf. ‘Je bent ook zo’n slappeling.’
Hij en zijn maten drijven de dorpelingen die ze ‘Araboesjiem’ noemen bijeen („Het zijn geen mensen” zegt iemand van zijn eenheid) en als ze ze door de modder zien sjokken, zeggen ze „Het zijn net beesten!” Ze vervelen zich, ze wachten, het is smerig, ze zijn nijdig op hun lot en uit nijd trappen ze iets kapot, schoppen een oude man, schieten op een hond.
De soldaat voelt zich ongemakkelijk, ja, natuurlijk, net als jij die dit leest. Niet dat je zulke dingen zou doen. Ook niet als het bevel daartoe was gegeven, met precieze instructies? Nou misschien, maar dan niet zo, maar vriendelijk, netjes. De instructies gaan daar ook van uit, die spreken over het ‘zuiveren’ van ‘vijandige elementen’ en de soldaat denkt: ‘nu blijkt hoeveel goede, oprechte hoop erin werd gesteld dat de uitvoerders van de opdracht tot al dit „verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren” uiterst welgemanierd, beheerst en juist beschaafd te werk zouden gaan’.
De soldaat in kwestie is de verteller van het boekje Het verhaal van Chirbet Chiz’a. Een lied van leegte, geschreven door S. Yizhar. Als je het leest ga je begrijpen hoe het kan – niet goedpraten! Niet rechtvaardigen! – dat soldaten zulke dingen doen. Deden. Altijd gedaan hebben en altijd zullen doen.
Jij ook, als je soldaat was.
Yizhar schreef het in 1949, en het gaat over een actie in 1948, tijdens de Nakba, de grote verdrijving van de Palestijnen. Yizhar had zelf als soldaat aan zulke acties deelgenomen, hij wist, en volgens het nawoord van Nathan Thrall wist iedereen dat destijds in Israël heel goed, dat de staat gebouwd was op dit onrecht, op dat ‘verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren’.
Het boek verscheen in het najaar van 1949 en werd een veelgeprezen bestseller.
Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren, onrecht in het verleden en onrecht in het heden, dat de Joodse staat gebouwd is ‘op de ruïnes van hun verlaten huizen’ zoals een dagbladcriticus toen onomwonden schreef, geldt nu al gauw als antisemitisch. Toen was het een algemeen besef, waarover je niet moest zeuren.
Hoewel dat verschrikkelijk is, zit de kracht van dit kleine boek er vooral in dat je begrijpt wat het is om dader te zijn en dat je het kúnt zijn, ook al zie je heel goed hoe die mensen daar zitten, bijeengedreven onder een boom, sommigen berustend, anderen bang of wanhopig, of die ene vol goed vertrouwen, „een zo mooie eigenschap, die nu zo meelijwekkend en dwaas was geworden aangezien jij (als het ware als God in de hemel) wist wat hij nog niet wist.”
Het boek is niet alleen waar, maar ook nog eens ongelooflijk goed geschreven, met een kracht en een schoonheid vergelijkbaar met die van Vassili Grossman (Leven en Lot), maar dan heel beknopt.
Je zou het bijna uit je hoofd willen leren, dan zou je jezelf en de mensen beter zien – niet het woord ‘begrijpen’ gebruiken. „Waar kwam toch dat gevoel vandaan dat ik werd aangeklaagd?”