schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt.
Als haar oudste zoon (8) overprikkeld of jaloers is, moet vooral de jongste (6) het ontgelden met een stomp of schop, vertelt een vriendin. ‘Je wilt eigenlijk schreeuwen: ben je helemaal gek?’, zegt de moeder. Het is nogal wat: het ene kind troosten en het andere corrigeren, terwijl je zelf ook hoog in de emoties zit. Hoe ga je ermee om als de oudste zijn frustratie afreageert op de jongste?
Jaloezie en rivaliteit tussen broers en zussen komen veel voor. ‘De aandacht van ouders is eindig. Broers en zussen zijn daarin elkaars concurrent’, zegt ontwikkelingspsycholoog Kirsten Buist, verbonden aan de Universiteit Utrecht en co-auteur van het boek Broertjes & zusjes: zo stimuleer je een warme band tussen je kinderen.
Bij haar onderzoek naar pestgedrag tussen broers en zussen in de basisschoolleeftijd, vond Buist iets opvallends: op de vraag of kinderen weleens werden gepest door een broer of zus, antwoordden de meesten ontkennend. Maar bij concrete voorbeelden, zoals slaan of uitschelden, herkenden veel kinderen het gedrag alsnog. ‘Gedrag dat we op school duidelijk als pesten zien, bestempelen we thuis blijkbaar als iets anders. Dat is frappant’, zegt Buist. ‘Op school spreken leerkrachten kinderen erop aan, maar binnen gezinnen accepteren ouders soms meer dan wenselijk is.’
Dat betekent niet dat elk akkefietje meteen problematisch is. Conflicten horen bij opgroeien: kinderen leren grenzen aangeven en omgaan met frustratie. Maar wanneer één kind structureel de dupe wordt en zich onveilig voelt, is ingrijpen belangrijk. ‘Het risico is dat dit een patroon wordt’, zegt Buist.
Volgens opvoedkundige Heleen de Hertog, oprichter van Howtotalk, een methode om met kinderen te communiceren, doen ouders in het ideale geval twee dingen tegelijk: gedrag stoppen én de emotie van de oudste erkennen. ‘Vaak slaan ouders die laatste stap over omdat ze zelf boos zijn. Dat is begrijpelijk; een van de kinderen heeft pijn.’
Het helpt om de acute ruzie en het grotere leerproces van elkaar te scheiden. ‘Op het moment zelf grijp je in, stop je het gedrag en zorg je voor veiligheid’, zegt De Hertog. Troost eerst het jongste kind, maar probeer respectvol over de oudste te blijven praten. ‘Zeg niet: wat heb je nou gedaan? Maar bijvoorbeeld: wil jij een washandje pakken?’ Pas later, als iedereen rustig is, volgt het gesprek.
Een kind van 8 kan leren signalen van oplopende boosheid te herkennen, zegt De Hertog. Zij vergelijkt dat met een pannetje melk op het vuur: eerst stijgt de melk stilletjes, maar ineens kookt het over. Je kan hem dat ook laten zien bij het fornuis. ‘Leer hem letten op lichamelijke signalen: een snellere ademhaling, een verhoogde hartslag, een knetterend hoofd.’
Volgens Buist draait het om het aanleren van ander gedrag. ‘Niet: hij slaat, krijgt straf en een dag later gebeurt het opnieuw.’ Kijk samen wanneer het misgaat: na schooltijd, bij vermoeidheid of tijdens plagerijtjes? ‘Bespreek de onderliggende emoties en vraag: wat heb jij nodig om dit anders op te lossen?’ Kijk samen naar alternatieven: naar buiten gaan, een ouder roepen of op een kussen of boksbal slaan.
Wees als ouder bewust welke rol je toekent aan je kroost, bijvoorbeeld ‘het lastige kind’. ‘Ga als een detective op zoek naar welke positieve kwaliteiten er ook zijn’, adviseert De Hertog. ‘Benoem het als hij lief is voor zijn broertje of hem helpt.’
Tot slot kan individuele aandacht spanning wegnemen. Even alleen met een ouder op pad, samen iets doen of rustig praten: het verkleint de strijd om aandacht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant