Bijna honderd gemeenten hebben dinsdag uitgebreid dak- en thuislozen geteld. Ook ‘verborgen’ dakloosheid, zoals bankslapers en mensen in auto’s, wordt meegenomen. ‘Vaak hebben mensen echt rock bottom bereikt wanneer ze bij ons terechtkomen.’
Voor de zekerheid had Ramona Hermes er maar de hele dag voor geblokt in de Outlook-agenda’s van haar collega’s: dinsdag 12 mei, dak- en thuisloze mensen tellen. Nu zitten ze hier, alle casemanagers van Stadsteam Back Up, het team dat voor de gemeente Utrecht basishulp biedt aan mensen die dak- of thuisloos dreigen te raken en waarvan Hermes coördinator is. Groepjes collega’s verspreid over een kantoorruimte, op hun schermen hetzelfde formulier in groen-wit kleurenschema.
Utrecht doet deze dag samen met bijna honderd andere gemeenten, van Rotterdam tot Venlo en Raalte, voor het eerst mee aan de grondige dak- en thuislozentelling van de Hogeschool Utrecht (HU) en ngo Kansfonds. Medewerkers van honderden organisaties met zicht op dak- en thuisloosheid nemen dinsdag plaats achter een computer en denken na over de vraag: welke mensen zonder stabiele huisvesting kennen wij?
Doel is om verder te kijken dan alleen degenen die op straat of in de daklozenopvang slapen: in deze telling wordt gewerkt met de Ethos-definitie van dak- en thuisloosheid. Die omvat bijvoorbeeld ook mensen die bij kennissen op de bank of in hun auto of camper slapen, of mensen die een instelling verlaten zonder passende vervolghuisvesting.
Dit in tegenstelling tot de cijfers van bijvoorbeeld het Centraal Bureau voor de Statistiek, die ‘bankslapers’, maar ook kinderen en 65-plussers, ongedocumenteerden en dakloos geraakte arbeidsmigranten vaak niet meenemen. Juist om die brede groep in beeld te krijgen, doen aan deze telling ook minder voor de hand liggende partijen mee, zoals huisartsen, kerken en een dierenopvang.
Bij Back Up in Utrecht zal de telling niet tot een verrassend totaalaantal leiden. ‘Wij gaan zo’n zevenhonderd mensen tellen, verdeeld over 35 casemanagers’, geeft Hermes alvast weg. Hier kijken ze immers naar een groep die al goed in beeld is: personen die bij Back Up in een ‘traject’ zitten en bij opvangorganisaties bekend zijn.
Het is de onderzoekers echter ook te doen om de gedetailleerde verschillen tussen dak- en thuisloze mensen. Slapen mensen op de bank, in de noodopvang, op een camping? En wat is de aanleiding voor hun dakloosheid? Per cliënt geven de casemanagers die informatie door.
Thirsa Luijmes heeft de namen van haar cliënten in zorgvuldig handschrift onder elkaar gezet in een notitieblok. Op het scherm zet ze die om in combinaties van initialen en leeftijd. Zo kunnen de onderzoekers personen onderscheiden die bij meerdere organisaties bekend zijn, zonder dat hun privacy wordt geschonden.
Dan doorloopt ze de vragen. Hoelang is de persoon al dakloos? Luijmes: ‘Treurig, ik heb bij de eerste vier al moeten aanvinken: meer dan een jaar.’ Aanleiding van verlies van woonzekerheid? ‘Er is eigenlijk niemand van wie ik denk: er is maar één oorzaak.’ Is de persoon dakloos geraakt na het verlaten van een psychiatrische of jeugdzorginstelling of gevangenis? ‘Soms komen mensen vrij uit de gevangenis zonder enig plan voor huisvesting, en staan ze hier op de stoep. Geen goede uitgangspositie om weer een leven op te bouwen.’
Drie keer eerder voerden de onderzoekers deze telling uit, toen elders in het land. Na deze vierde (en grootste) telling hopen ze een eerste goede schatting te kunnen geven van landelijke aantallen. Die cijfers kunnen het rijk en gemeenten helpen beter aansluitend beleid te maken, menen de onderzoekers.
Daarop hoopt ook Doenja van der Veen, die in Utrecht meedoet aan de telling namens de Bond Precaire Woonvormen. Die actiegroep zet zich in voor huurders in kwetsbare posities en mensen die uit huis dreigen te worden gezet. Veel mensen die zij op het spreekuur van de Bond ziet, komen in andere tellingen niet aan bod.
‘Jonge mensen die na het aflopen van een tijdelijk huurcontract, legaal of niet legaal, op straat komen te staan, zonder genoeg wachttijd voor een sociale huurwoning of genoeg geld voor een private sectorwoning’, legt Van der Veen uit. ‘Die slapen dan bij ouders, vrienden, of in een busje. Of denk aan mensen die weggeïntimideerd worden door hun huisbaas na een conflict.’ De telling kan aantonen dat dit een probleem is dat ‘iedereen kan raken’, hoopt Van der Veen.
Volgens Marte Kuijpers, een van de HU-onderzoekers die de telling coördineren, hebben eerdere cijfers her en der al geleid tot beter beleid. In Den Bosch werd de urgentieregeling voor gezinnen met kinderen bijvoorbeeld verruimd. En in Nijmegen zet de gemeente samen met woningcorporaties in op extra huisvesting voor dak- en thuisloze jongeren, nadat de telling had gewezen op een schrikbarend hoog aantal.
Casemanager Luijmes hoopt vooral dat inzicht in ‘onzichtbare’ groepen dak- en thuislozen kan voorkomen dat mensen bij haar komen. ‘Vaak hebben mensen echt rock bottom bereikt wanneer ze bij ons terechtkomen, en kan er wel twee jaar van bijvoorbeeld slapen binnen het eigen netwerk of in auto’s aan voorafgaan. Je moet je ego opzij kunnen zetten, en tegen een jonge meid als ik durven zeggen: ik ben dakloos en heb hulp nodig. Dat is zo moeilijk.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant