Onderzoekers van onder meer de Wageningen Universiteit hebben bij een recente inventarisatie in Nederland bijna negenduizend terpen, wierden, werven, belten en andere ‘bewoonde landschapsverhogingen’ gevonden. Dat is driemaal zoveel als verwacht.
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
De terpen liggen lang niet allemaal in Friesland en Groningen. Met name in de Betuwe, in West-Friesland (Noord-Holland) en in het gebied rondom de stad Kampen telden de onderzoekers een groot aantal ‘nieuwe’ bewoonde bulten.
Het onderzoek, deze week gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Earth-Science Reviews, is de eerste landelijke inventarisatie van bewoonde landschapsverhogingen. Tussen Zeeuws-Vlaanderen in het zuidwesten van Nederland en Delfzijl in het noordoosten, werden in totaal 8.922 terpen geteld. De inventarisatie is uitgevoerd door de Wageningen Universiteit, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, erfgoedorganisatie Het Oversticht en een particulier archeologisch onderzoeksbureau.
De onderzoekers baseerden hun overzicht op onder meer archeologische en landschapshistorische literatuur, landkaarten met erfgoedinformatie en het zogeheten Actueel Hoogtebestand Nederland – een zeer nauwkeurige digitale hoogtekaart.
Terpen en wierden in Friesland en Groningen gaan soms terug tot ver voor onze jaartelling. De Romeinse auteur Plinius de Oudere schreef rond het jaar 50 over bewoners rond het toenmalig Flevomeer en langs de Waddenkust: ‘Daar woont een armzalig volk op hoge terpen […] Wanneer de golven het omliggende land overspoelen, lijken de bewoners op zeelieden, maar als het water is geweken zijn het net schipbreukelingen.’
Bewoonde bulten elders in Nederland blijken van veel latere datum. In bijna alle gevallen stammen de ophogingen pas uit de middeleeuwen of zelfs uit de vroegmoderne tijd. Op verschillende plaatsen bouwden bewoners pas terpen ná de aanleg van (rivier)dijken.
Dat laatste lijkt overbodig, maar onderzoeker Roy van Beek, landschapsarcheoloog bij Wageningen Universiteit, legt uit dat de nieuwe dijken niet alleen water tegenhielden. Ze hielden na een overstroming ook langer het water vast. ‘Het aantal overstromingen werd minder, maar tegelijk werd het effect van die overstromingen groter omdat het water minder makkelijk wegstroomde.’
In Groningen en Friesland werden vaak hele dorpen op een terp gebouwd. Bekende voorbeelden zijn de wierden van Ezinge en Warffum en de terp van Hegebeintum, met 8,8 meter de hoogste terp van Nederland. In de overige provincies zijn de bewoonde verhogingen doorgaans kleiner, vertelt Van Beek. ‘Meestal niet groter dan één boerderij en een paar bijgebouwen – 20 tot 30 meter diameter en 1, hooguit 2 meter hoog.’
Van Beek houdt nog wel een slag om de arm bij het huidige aantal van 8.922 terpen: mogelijk is bij eerdere regionale inventarisaties hier en daar een bult twee keer geteld. Anderzijds is het ook aannemelijk dat er hier en daar een ophoging is gemist. Als voorbeeld noemt hij het stroomgebied van de IJssel. ‘Bij de riviermonding, in het gebied van het Kampereiland, en even verderop in de Polder Mastenbroek, tussen Zwolle en Hasselt, zie je een groot aantal terpen, maar verderop langs de rivier treffen we nu bijna niks, terwijl je dat wel zou verwachten.’
Het enorme aantal nieuw in kaart gebrachte terpen en de grote geografische spreiding ervan bieden verschillende mogelijkheden voor vervolgonderzoek. ‘Je zou bij archeologisch onderzoek kunnen kijken naar de bouwgeschiedenis. Misschien kun je opeenvolgende ophogingen relateren aan historische overstromingen, zoals de Sint Elisabethvloed van 1421. Dan krijg je een nieuw beeld hoe mensen destijds omgingen met de dreiging van het water.’
Source: Volkskrant