Merel van Vroonhoven is leraar, toezichthouder en columnist van de Volkskrant.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Mijn eerste vrije avond in maanden. Manuscript bij de bureauredacteur, ouderlijk huis verbouwd tot kangoeroewoning, laatste dozen uitgepakt. We zijn te gast bij vrienden, ook hun volwassen kinderen zijn er, met een verdwaalde jeugdvriend. Uit de oven stijgt een zoete geur op.‘Ottolenghi zeker?’, vraag ik aan mijn vriendin, die zweert bij de recepten van de Brits-Israëlische chef-kok. Ze knikt.
‘Ottolenghi?! Laten we het eens hebben over de genocide in Gaza’, zegt haar oudste zoon Gijs. ‘Niet nu’, reageert mijn vriendin, te laat. Gijs is al bij 1948. Broer Janus valt hem bij. ‘Het is gewoon zo.’ Jeugdvriend Hans sputtert tegen. ‘Begin bij 7 oktober. Jullie laten je inpakken door Hamas-fakenieuws.’
De toon wordt luider, de sfeer grimmiger. ‘Maar het is toch ook zo dat...’ Verder kom ik niet. ‘Luister’, roept Gijs geëmotioneerd. ‘Het zijn gewoon de feiten, en wie dat niet wil zien, die bestaat voor mij niet.’ Mijn hart bonkt. ‘Je hoeft niet zo’n pedant toontje op te zetten’, hoor ik mezelf zeggen. ‘Waarom zet je mij zo weg?’ Als mijn man zijn hand op mijn arm legt, knapt er iets. Ik duw hem weg en loop de kamer uit.
Hoe heb ik me zo kunnen laten meeslepen, vraag ik me achteraf beschaamd af.
Het probleem is niet dat we het oneens zijn, maar dat we ons oordeel niet uitstellen, lees ik de dag erna in een Volkskrant-stuk van Anna van den Breemer. We vragen ons niet af wat de ander beweegt of zorgen baart, maar schieten in de overtuigingsmodus. Het zijn niet de meningsverschillen waardoor we een waas voor de ogen krijgen. Het is ons gebrek aan empathie, dat door schermbezoek zienderogen groeit, aangewakkerd door maatschappelijke onzekerheid. Houvast en overzicht zoeken we in simpele verklaringen. Goed of fout, voor of tegen, zwart of wit. Alles in b-mineur, heel erg luid. De andersdenkende als vijand, het sluipt er gemakkelijk in.
Zie alleen al deze week de reacties op Donald Pols die van Milieudefensie naar de staalindustrie gaat. In het persbericht slechts ‘teleurstelling’, geen woord over alles wat de man in 25 jaar voor de klimaatzaak heeft betekend. Heeft hij dat verdiend? Op (sociale) media uitgemaakt voor NSB’er, Judas, overloper die zijn portemonnee spekt, ziel aan de duivel verkopend. Het andere kamp hijst hem op het schild: eindelijk iemand met de moed om vuile handen te maken, een held. Is hij dat?
Het echte debat sneeuwt onder. Wat is de waarde van een activist in een bedrijf dat razendsnel moet veranderen? Wat zou een zorgvuldige afkoelingsperiode zijn? Hoe houd je elkaar scherp zonder te vervallen in verlammend wantrouwen? Het boeit niet, in de meningenarena vol oorlogstaal, waar kampen elkaar te lijf gaan. Hoe meer clicks hoe beter.
Grote maatschappelijke problemen lossen we niet op in eigen loopgraven waar verschillen worden uitvergroot en overeenkomsten genegeerd. Verandering vraagt verschillende rollen: de outsider die agendeert en protesteert, naast de insider die binnenuit ombuigt. Hoogleraar Anne Lafarre zegt het in het FD treffend: ‘Het probleem is dat we in Nederland graag in kampen denken; bedrijven zijn vijanden, ngo’s zijn woke. Die framing is kortzichtig en contraproductief.’
Het ware kwaad kijkt verlekkerd toe. Hoe we elkaar in de haren vliegen, opgefokt door algoritmen. Hoe radicale krachten zich nestelen tussen gewone bezorgde mensen via een Defend-vlag in kinderhanden bij een azc-protest, of via de manosfeer in de jongenskamer.
Maar het begint niet daar. Het begint dichtbij. Aan de keukentafel, waar ook ik mijn eigen gelijk belangrijker vond dan het echte gesprek.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.