Home

Opinie: Het ‘rotje’ (volgens Wierd Duk) leidt tot het goedpraten van politiek geweld

Het was geen onschuldig incident, de explosie in het partijkantoor van D66 op donderdagavond 7 mei. Vooral de reactie dat dit ‘begrijpelijk’ was, zet de deur open voor het normaliseren van politiek geweld.

Op 7 mei zat ik met ongeveer dertig Jonge Democraten (JD) in het D66-partijkantoor in Den Haag toen bij de ingang van het gebouw via de brievenbus een explosie plaatsvond. De zaal waarin wij zaten was slechts een paar meter van de voordeur.

Toen er glasscherven langs de open deur van onze ruimte vlogen, wist niemand wat er precies gebeurde of wat er zou volgen. Was dit een eenmalige explosie? Zou er een tweede volgen? Was de deur geforceerd, en zou dat betekenen dat er mensen in het gebouw waren die daar niet hoorden te zijn? En nog belangrijker: waren zij dan ook bewapend? Vanaf dat moment neemt je instinct het over.

Het alarm ging af en de gang vulde zich met een scherp, doordringend geluid dat door merg en been ging. Seconden veranderden in minuten. Mensen verstijfden of keken beduusd om zich heen en probeerden te begrijpen wat er nou eigenlijk was gebeurd. Een collega sloot de zaal af en samen barricadeerden we de deur.

Quinn van Veen is lid van D66.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Adrenaline

Onder de jongeren in de zaak waren ook minderjarigen. Jongeren die een avond bijwoonden in een land waarin wij ervan uit mogen gaan dat meningsverschillen met woorden worden uitgevochten. En als je het ergens niet mee eens bent, je de ander op een redelijke manier aanspreekt. Een avond waarop een explosie niet thuishoort.

We controleerden of iedereen ongedeerd was en besloten uiteindelijk de aanwezigen via de ramen naar de binnenplaats te evacueren. Uiteindelijk konden we met hulp van het aanwezige landelijke JD-bestuur de nooduitgang bereiken.

Een explosie eindigt helaas niet wanneer de rook optrekt of wanneer mensen het gebouw weten te verlaten. Op het moment handel je en doe je wat nodig is. Je lichaam draait uiteindelijk op adrenaline, instinct en verantwoordelijkheid. En dan komt een klein moment van stilte, van rust. Iedereen is buiten, maar juist de stilte die daarop volgt blijft hangen.

Dat mijn collega en ik die avond snel en beheerst handelden zoals van ons verwacht mag worden, betekent niet dat de impact daarmee ook verdwenen is. Mensen zien vaak alleen het handelen zelf, maar niet wat daarna komt. Zoals de zorgen die je voelt als je je afvraagt of iedereen wel ongedeerd uit de zaal is gekomen.

Toon van het debat

De beelden zal ik nooit meer kwijtraken, terwijl de emoties en menselijke impact vrijwel onmiddellijk verdwijnen achter politieke framing, mediarelletjes, en online scorebordjournalistiek onder het mom van opiniemakerij.

Juist daarom stuitten bepaalde reacties mij flink tegen de borst. Niet alleen vanwege de explosie zelf, een laffe daad die in iedere democratische rechtsstaat zonder voorbehoud en politieke voorkeur veroordeeld zou moeten worden, maar vooral vanwege de toon van het debat dat volgde.

Columnist en opiniemaker Wierd Duk had het op X over ‘de commotie over de rotjesgooier bij D66’ en vergeleek de aanslag op ons partijkantoor met die op Thierry Baudet. Een terechte opmerking, als hij niet direct had geprobeerd om de aandacht te verschuiven naar een discussie over vermeende mediastandaarden en politieke hypocrisie.

Twitter bericht wordt geladen...

Het raakt mij wanneer een avond als deze publiekelijk, met behulp van Duk, wordt gereduceerd tot een ‘rotje’ of ‘commotie’. Want woorden doen ertoe. Bagatellisering doet ertoe.

Als de maatschappelijke reflex op dit soort situaties verschuift van principiële afkeuring naar relativering, verschuift de grens van wat acceptabel is ook.

‘Wie niet horen wilt, moet het eindelijk voelen’

Dat dit inderdaad gebeurt, zie je ook in de ingezonden brief van ‘K. Laheye’ in De Telegraaf, de dag na de aanslag. Laheye schrijft dat de explosie ‘niet goed te praten’ is, maar meteen volgt dat het ‘niet verwonderlijk’ is. Verderop schrijft Laheye: ‘Dit kabinet heeft geen bestaansrecht. En daardoor komt de bevolking in opstand. Wie niet horen wilt, moet het uiteindelijk voelen.’

De suggestie, zoals Laheye die doet, dat politiek geweld uiteindelijk een begrijpelijke consequentie wordt wanneer de maatschappelijke onvrede groot genoeg is, zal ik nooit als een vorm van onschuldige frustratie beschouwen. Dat De Telegraaf dit publiceert, is een faux pas. De krant levert zo een bijdrage aan het verschuiven van de grens. En precies daar begint de normalisering van intimidatie door politiek geweld en intimidatie in zijn algemeenheid.

De democratie sterft gelukkig zelden op één moment, maar zij is wel onderhevig aan slijtage wanneer geweld onder voorwaarden acceptabel begint te worden. Eerst wordt het veroordeeld, maar als ‘begrijpelijk’ betiteld. Daarna ‘onvermijdelijk’ en als we niet opletten, zal het zelfs als ‘eigen schuld’ worden bestempeld. En die logica zal nooit beperkt blijven tot één politieke partij.

Volgende slachtoffers

Wat mij het meest bezighoudt sinds die avond is niet eens de explosie zelf. Het is de gedachte dat jongeren die deelnemen aan een politieke bijeenkomst in Nederland blijkbaar niet langer vanzelfsprekend mogen aannemen dat zij er veilig zijn. Dat deze generatie, mijn generatie, zich tegenwoordig bezig moet gaan houden met nadenken over vluchtroutes, barricades en de vraag of iemand met geweld wellicht het gebouw wil betreden op een donderdagavond.

Voor sommigen was het uiteindelijk maar een ‘rotje’ en ‘commotie’ en zal de ervaring van deze jongeren slechts een moment zijn in een bredere oorlog op internet. Voor ons was het dat verschrikkelijke geluid van glas dat door de hal vloog langs onze deuropening. Het geluid van een alarm dat door de gang galmde terwijl niemand wist of het daar dan ook maar bij zou blijven. Het moment waarop je instinct alles overneemt en je lichaam sneller reageert dan je gedachten kunnen volgen.

Ik weet niet hoe iedereen die avond is thuisgekomen. Ik weet niet wie er daarna uren wakker heeft gelegen en wie er vandaag nog altijd opschrikt van harde geluiden om telkens opnieuw dat moment te herbeleven. Ik weet niet wat de psychologische gevolgen op lange termijn zullen zijn, zeker niet voor de minderjarigen. Ik weet niet eens hoe het met mijzelf gaat, behalve dat ik niet slaap.

Ik heb geen idee wat ‘het rotje’ de jongeren aangedaan heeft en wat het de volgende slachtoffers zal aandoen. En misschien is dat uiteindelijk het verdrietigste van alles.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next