Wat als je net moeder bent geworden en het lukt je maar niet om een overweldigende liefde voor je pasgeboren baby te voelen? Het is een stevige identiteitscrisis waar de hoofdpersoon van Als de dieren van Lieselot Mariën doorheen moet.
‘Hic sunt dracones’: het staat geschreven op een 16de-eeuwse wereldbol bij een niet in kaart gebracht gebied. Hier zijn draken. Dit als een waarschuwing: dit is onontgonnen terrein, het kan hier gevaarlijk zijn.
De verteller uit Als de dieren, de debuutroman van Lieselot Mariën, beseft dat er draken zijn, haar onontgonnen terrein is het moederschap: ‘Op een of andere manier had ik verwacht dat een bevalling een horizon was, waar je voorbij moest om het landschap erachter te kunnen zien. Ik had niet gedacht dat het een klif was waar je af kon donderen, de diepte in.’
Al meteen na de geboorte van haar zoontje is het daar: dat lege gevoel dat meer is dan alleen een lege buik. De ‘ik’ in deze roman weet dat ze een overweldigende liefde zou moeten voelen, maar in plaats daarvan raakt ze vervuld van een totale vervreemding. En was ze nog niet wanhopig, dan werd ze het wel door het onophoudelijke gehuil van dit kindje. Als dit boek een soundtrack zou hebben, was het een snerpend, driftig gekrijs.
De gewone wereld wordt voor haar onbegrijpelijk. Ze is die vrouw die in een auto zit in de parkeergarage met een huilende baby op de achterbank, urenlang. De taak van het parkeren is onmogelijk geworden, het stuur een onbevattelijk voorwerp. Wij lezers halen, met haar, opgelucht adem als het kindje op haar buik ligt te slapen en ze roerloos op haar laptop naar een liveregistratie van broedende slechtvalken kijkt. In relatieve vrede ligt ze daar, eventjes. Totdat ze moet niezen, de baby wakker schokt en weer urenlang begint te huilen.
Deze moeder is uitgeleverd aan haar kind, zoals het kind overgeleverd is aan haar. Vertrekken is onmogelijk: het moederschap als gevangenis.
De vragen die haar bestoken zijn van de eenzaamste soort: had ik geen moeder mogen worden? Aan haar man bekent ze: ‘Ik kan het niet.’ Zijn resolute antwoord luidt: ‘Je moet.’ Later toont de registratie hoe de slechtvalk haar eigen jongen opeet. Vogelexperts reageren geschokt, ze weten niet waar dit gedrag vandaan komt. Zij wel: ‘Ik weet hoe het komt en het is afschuwelijk.’
Wie of wat is ons ware zelf? We spelen altijd rollen, gedragen ons anders bij andere personen. Toch is de identiteit van moeder radicaal anders dan die van vriendin, collega, dochter of geliefde. Hoe ze het ook probeert, de hoofdpersoon kan zich er niet mee vereenzelvigen. Er treedt een splitsing op binnen haar: er is de ‘zij’, de moeder, en de ‘ik’, voor wie steeds minder ruimte is.
De taal zelf blijkt hier verraderlijk: ‘Ik kan zeggen: ‘Ik voed mijn kind.’ Als ik dat zeg, lijkt het alsof er een handelend, moederend subject mijn zinnen bewoont. Er lijkt een ‘ik’ te bestaan die voedt.’ Maar: ‘Zoals ‘het’ schemert, zoals ‘het’ opklaart, zoals ‘het’ dooit en dondert, zo moedert ‘het’ door mij heen, maar zonder mij.’
Als de dieren is bijzonder vormgegeven: vrijwel iedere pagina bevat meer wit dan tekst. Er zijn geen hoofdstukken, de roman volgt de structuur van een mythisch verhaal over de godin Inanna, die om af te dalen naar de onderwereld door zeven poorten ging. Bij elke poort moest ze iets afleggen: haar kroon, haar kettingen, haar kleed. Onderweg naar de hel blijft er steeds minder van haar over. Maar het is eigenlijk niet de hel waar de verteller in geïnteresseerd is. ‘De vraag is niet zozeer of we de diepste diepte kunnen bereiken, want dat kunnen we, we zijn er bijna. De vraag is of we nadien ook weer veilig thuiskomen.’
Wanneer een vrouw op straat aan deze jonge moeder vraagt hoe oud haar zoontje is, beseft ze: ik weet het niet. Deze roman brengt vorm aan in het plotloze van de verloftijd door verhandelingen op te voeren over dingen die er niets mee te maken lijken te hebben, zoals de asbedekking van Pompeï. We lezen over de wetenschapper die op het idee kwam om de holtes waarin mensen waren vergaan te beschouwen als een mal.
Dan wordt geëxpliciteerd dat deze anekdote de functie van een metafoor heeft: ‘Als ik tijdens deze afdaling iets nastreef, is het precies dat: gips storten in een leegte, zichtbaar maken wat is gaan ontbreken.’
Steeds worden op deze manier situaties getoond die op een of andere manier het moederschap of de zoektocht van dit boek blijken te spiegelen. Soms werkt dat, soms voelt het wat willekeurig.
De mooiste, meest raadselachtige scène speelt zich af in de vroege ochtend op straat: de hoofdpersoon zwerft in haar eentje door de stad, man en kind liggen thuis te slapen. Een ambulance stopt naast haar. ‘Ik moest hier iemand ophalen’, zegt de broeder eenvoudig, en wacht.
De verleiding om naast hem te gaan zitten en zich te laten wegvoeren naar het gesticht met de krakend witte lakens en de heerlijke pillen is groot. Maar ze weerstaat hem: de ‘ik’ die wordt weggedrukt door het moederschap heeft een nieuwe bestaansvorm gevonden in dit boek. De roman zelf blijkt de uitweg.
Lieselot Mariën: Als de dieren. Das Mag; 308 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant