Identiteit Robert Vuijsje beschrijft hoe zijn joodse identiteit hem in het Nederland van nu in een ongemakkelijke positie brengt: hij wordt voortdurend aangesproken op Israël en gedwongen partij te kiezen. Links wantrouwt hem, rechts omarmt hem, maar niemand weet of begrijpt wie hij echt is.
In Suriname bestaat een gezegde dat luidt: opo yu kloru. Het betekent zoveel als: breng je kleur omhoog. Oftewel een donkergekleurde ouder krijgt kinderen met een lichtere partner en zorgt daarmee dat het nageslacht een hogere status krijgt. Hoe lichter hoe beter, hoe donkerder hoe meer discriminatie een kind zal ondervinden. Dat is hoe het altijd wereldwijd heeft gewerkt.
Robert Vuijsje is schrijver.
Volgens deze redenering zou mijn vrouw, van Surinaams-creoolse afkomst, onze zoon omhoog hebben gebracht. Haar huidskleur is donkerbruin, hij is lichterbruin. Als je die gedachte doortrekt zou ik mijn zoon dus een lagere positie hebben bezorgd dan ik zelf heb. Hij is bruin en heeft kroeshaar en ik ben joods, met een huidskleur die minder racisme hoort op te roepen.
Ik kan geen voorspellingen doen over hoe het hem in de toekomst vergaat, maar in het Nederland van 2026 durf ik de stelling aan dat mijn zoon op zijn school en in het dagelijks leven van de Randstad beter af is met zijn donkere huidskleur dan wanneer hij een joods uiterlijk zou hebben. In een stad als Amsterdam, waar wij wonen, bestaan er zogeheten witte en zwarte scholen. In feite zijn zwarte scholen, met een gemengde leerlingenpopulatie, de standaard in de grote steden. Die paar witte scholen in de niet-gemengde reservaten vormen de uitzondering. Voor zijn medeleerlingen is mijn zoon een van hen. Hij krijgt geen vragen over wel of niet genocide en waar zijn loyaliteit ligt, bij Israël of Gaza?
Ik zie er wel joods uit en voor wie het niet kon zien draag ik een ketting met een davidster om mijn nek. Vroeger zei ik nog voor de grap: zodat ze zien dat ik geen Marokkaan ben. Sinds 7 oktober 2023 is de dynamiek veranderd. In ieder gesprek over mijn joodse achtergrond gaat de tegenpartij nu recht op het doel af: wat vind jij ervan, waar sta je? Eigenlijk zou je het een joodse voorgrond moeten noemen.
Wanneer de aanvallen vanaf links komen is het uitgangspunt dat ik eerst moet bewijzen of ik wel een goede jood ben die wil bevestigen hoe misdadig ik het regime van Netanyahu vind. Bij een belaging vanaf rechts ontbreekt dat toelatingsexamen, maar wordt de toon direct samenzweerderig: laten we eerlijk zijn, jij bent joods, dus wij weten allebei dat die geradicaliseerde linkse activisten allemaal antisemieten zijn.
Mijn eigen politieke kleur heeft altijd meer links gelegen. Dat kan zorgen voor verwarrende situaties. Afgelopen jaar bestond het hoogtepunt uit een vrouw van mijn leeftijd die vertelde dat haar opa tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zo fout was geweest dat hij eerst ter dood werd veroordeeld en uiteindelijk na meer dan tien jaar in de gevangenis werd vrijgelaten. Daarna was hij gewoon haar opa, een lieve man. Deze vrouw kwam uit wat ik maar even mijn eigen wereldje zal noemen, wij begeven ons in dezelfde kringen. Het kwam niet in me op om haar te veroordelen voor de daden van haar grootvader.
Het gesprek ging naar mijn joods-zijn. De vanzelfsprekende start was: wat vond ik van de oorlog, die toen nog volop bezig was? Ik zei dat oorlogen vreselijk zijn, ik hoopte dat het snel ophield. Ja nee, zo makkelijk ging dit niet, wat vond ik er echt van? Ik zei dat het een oorlog in het Midden-Oosten was, zoals daar helaas al decennialang wordt gevochten en dat ik geen representant ben van Israël, een land waar ik nooit heb gewoond, ik spreek er de taal niet eens. Nu wees ze naar de ketting om mijn nek: ik was joods, daar identificeerde ik me mee. Haar stem werd luider, de toon feller. Doordat ik me joods voelde was ik gewoon medeplichtig, ik hoorde bij deze daders, bij de kindermoordenaars.
Tot zover de linkerkant. Dan de rechterkant. Ruim twee jaar geleden schrok ik er nog van. De PVV was net de grootste geworden bij de verkiezingen, de dag erna liep ik over straat en kwam los van elkaar twee joodse vrienden tegen die allebei zeiden: gelukkig maar, wij hebben gewonnen, dit is beter voor Israël. Op dat moment dacht ik nog: wat een krankzinnige redenering, om bij een Nederlandse verkiezing je stem te laten bepalen door het Israëlstandpunt van een partij.
Inmiddels zijn we zover dat ik niet meer op een linkse partij kan stemmen. Net zoals bij veel andere joden die zich progressief noemden was de motie-Piri voor mij de druppel. Hoe moet ik stemmen op een partij die een motie indient met als doel dat Israël zich niet meer kan verdedigen, waardoor duizenden onschuldige burgers vermoord zouden worden? Ja, ik ben een goede jood, dus ik weet dat Israël zelf ook vele tienduizenden onschuldige slachtoffers heeft gemaakt. Maar zou ik daarom moeten stemmen op een partij die – theoretisch gezien, in het geval dat Nederland een relevante rol speelde in de wereld – mijn in Israël wonende familieleden zonder bescherming wil laten bombarderen?
Het probleem is dat ik ook niet rechts wil stemmen. In een curieuze omkering van de verhoudingen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn het nu de conservatieve politieke partijen die zich opwerpen als beschermers van de joden. Wanneer politici of andere niet-joden een uitgesproken pro-joodse of pro-Israëlische mening hebben, die twee zijn kennelijk onlosmakelijk aan elkaar verbonden, dan vertrouw ik ze bijna nooit. Zijn ze werkelijk voor joden of vooral tegen moslims?
In een wereld waar vrijwel iedereen tegen joden lijkt te zijn is het makkelijk om in de war te raken. Je hoort het zo vaak en zo vol overtuiging dat je bijna gaat denken: al die mensen hebben gelijk, wij moeten wel heel kwaadaardig zijn. Maar je denkt ook: hoe moet dit verder, waarom is iedereen zo geobsedeerd door ons, hoe kan het dat niets zulke diepe emoties oproept als onze positie? In Nederland wonen enkele tienduizenden joden, na de oorlog waren er niet veel over, maar al bijna drie jaar lang gaat het permanent over ons, waar komen deze woedeuitbarstingen vandaan?
Of de verhalen die over ons worden opgehangen nou van links komen of vanaf rechts, waarom moeten wij zo worden misbruikt voor het punt dat zij over onze rug willen maken? Waarom kan joods leven in Nederland niet plaatsvinden zonder bewaking? Waarom wordt alleen bij ons automatisch een verband gelegd tussen een oorlog in een ander werelddeel en joden hier? Wij weten allemaal dat McDonald’s het lievelingseten is van president Trump, maar het zou absurd zijn om uit woede over zijn beleid een Nederlandse vestiging van deze Amerikaanse restaurantketen te belagen, waarom gebeurt dat wel bij joodse scholen en instellingen?
Wat me opvalt bij al die gesprekken, zoals met de vrouw uit mijn eigen kringetje, is de zekerheid waarmee mensen denken te weten: ik ben goed, mijn denkbeelden zijn de enige juiste, de verbanden die ik leg zijn kloppend en niemand kan me daar vanaf brengen. Die gesprekken werden zo vermoeiend dat ik ermee ben gestopt.
Ik vergelijk het wel eens met Amerika, waar ik veel kom. Daar heeft het woord Mexicanen een betekenis. In Nederland betekent dat woord niets. Omgekeerd hebben wij het woord Marokkanen. Wanneer je daar decennialang over hoort, krijgt het een bijsmaak. In Amerika betekent hetzelfde woord niets, ze kennen het land hooguit van de mondaine vakantiebestemming Marrakech.
Zo is het ook met joden. Wanneer je daar zoveel over hoort, en nooit in positieve zin, krijgt het woord een inhoud, een gevoel. In het meest extreme scenario kon dat leiden tot de uitmoording tijdens de Tweede Wereldoorlog. En het wonderlijke is dat, hoeveel we ook herdenken of het proberen te verklaren, we er niets van lijken te leren.