Home

Hoe gaat Europa om met kansen en crisissen? Twee auteurs bieden twee visies

EU Twee auteurs met ruime ervaring in Brussel schreven een boek over Europa. De een denkt dat het niet meer goed komt met de Europese Unie, de ander denkt dat het uiteindelijk wel zal lukken – zeker wanneer de druk hoog genoeg wordt.

In Zondagskinderen van Caroline de Gruyter en De Unie die nooit was van Rolf Falter krijgen we geen droge kroniek van commissies, conclusies en procedures. Wat deze auteurs delen, is een zwak voor het zijdelingse: de kleine verhalen, de anekdotes, de improvisaties die samen de grote geschiedenis doen kantelen. Europa ontstaat in aarzelende stappen, in toevallige ontmoetingen, in compromissen die vaak op de tast worden gesloten. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de lidstaten steeds dichter bij elkaar gekomen. Er werden keuzes gemaakt – goede, slechte, visioniaire, ondoordachte. Of vaker nog, een beetje van alles. Zo kronkelde het pad naar de Unie van vandaag.

Caroline de Gruyter: Zondagskinderen. Europeanen, oorlog en vrede. De Geus, 304 blz. €24,99

Rolf Falter: De Unie die nooit was. Waarom Europa stilstaat terwijl de wereld voorbijraast. Lannoo, 356 blz. € 29,99

Beide auteurs zijn vertellers met vaart en verve. Falter put uit zijn ervaring binnen de instellingen, De Gruyter graaft gretig in haar jaren als correspondent voor deze krant, vaak op de eerste rij tijdens conflicten in de Balkan en het Midden-Oosten. Dat maakt hun boeken levendig en alleen al daarom zijn ze de moeite waard.

Maar de teneur verschilt. Waar De Gruyter beweging ziet, ziet Falter stilstand, zelfs achteruitgang. In zijn ogen heeft de Unie haar samenhang verloren en is ze verengd tot een optelsom van nationale belangen. Europa kampt met wat hij beschavingsvermoeidheid noemt. Het is, zo klinkt het, een kwestie van stilstaan, achteruitgaan of barsten. De Unie is allang geen magneet meer, sombert hij verder.

Dat valt te betwijfelen. Nog altijd staan landen in de rij om toe te treden, ook al staat daar een stevig soevereiniteitsverlies tegenover. Dat rijmt moeilijk met het beeld van een afbrokkelende aantrekking. De zogenaamde grootmachten van het moment zijn minder populair: voor zover bekend zijn er geen landen die lid willen worden van China of Rusland of die toetreding zoeken tot de Verenigde Staten – Canada en Groenland al helemaal niet. Ook Falters nostalgie naar een verleden waarin iedereen zogezegd samenwerking wilde, is discutabel. Europese samenwerking is zelden vanzelfsprekend geweest: projecten mislukten (denk aan de Europese Defensiegemeenschap), andere kwamen er pas na jarenlange omwegen, diplomatieke acrobatie en nachtenlang onderhandelen (zoals de euro). Misschien is het altijd zo geweest: staten koesteren koppig hun autonomie, tot de omstandigheden hen dwingen om samen te werken.

Negatief versus positief

Precies die dynamiek beschrijft De Gruyter. Haar observatie dat negatieve informatie sterker blijft hangen dan positieve, klinkt bijna als repliek op Falter. Hij stelt verval vast, terwijl zij de kiemen ziet van alweer nieuwe Europese regelingen. Waar hij een democratisch tekort vaststelt, ziet zij net méér Europees debat – zeker sinds de oorlog in Oekraïne. Zelfs eurosceptici doen volop mee; het borrelt en bruist, en bijna niemand wil nog uit de Unie.

Dat betekent niet dat Zondagskinderen een naïeve kijk biedt op de Europese eenmaking. Integendeel: De Gruyter stelt dat Europa decennialang leefde in de illusie dat oorlog en geweld tot het verleden behoorden. Dat is misschien wat overtrokken: Europa kende na de Tweede Wereldoorlog ook zijn portie agressie. Er waren de troubles in Noord-Ierland, met sluipschutters, hongerstakers en autobommen. Er waren de aanslagen van Baskische, Corsicaanse en andere afscheidingsbewegingen. Politici werden ontvoerd, er waren opflakkeringen van banditisme en terreur, van extreemlinks tot extreemrechts. Haar punt is dat de confrontatie met een agressief Rusland de Europese zelfgenoegzaamheid pas echt doorprikte.

Tegelijk blijft haar analyse op sommige punten open. Oorlog is niet rationeel maar emotioneel, stelt ze terecht, en dus moet Europa zich erop voorbereiden. Wat dat concreet inhoudt, blijft in de mist hangen. En net daar woedt vandaag het debat. Het inzicht is intussen wel ingedaald dat landen zich moeten kunnen verdedigen en dat samenwerking slimmer is dan elk zijn eigen legertje. NAVO-landen beslisten recent om hun defensieuitgaven fors te verhogen. Maar nu elke minister van Defensie over een grotere persoonlijke speeltuin beschikt, zal de neiging tot samenwerking misschien niet groter worden? En hoeveel defensie is genoeg? Europa heeft vandaag opgeteld op alle vlakken meer knowhow en materieel dan de Russen – kernwapens uitgezonderd. Frankrijk heeft er echter nog altijd genoeg om de planeet een paar keer te toasten. Moet Europa vijf keer sterker zijn dan Rusland? Tien keer? En waar moet dat geld vandaan komen? Gezondheidszorg? Cultuur? Onderwijs? Dát zijn vragen die zich aandienen.

Hoe om te gaan met kansen?

Uiteindelijk cirkelen beide boeken rond dezelfde kwestie: hoe gaat Europa om met kansen en crisissen? Falter is geneigd te denken dat het niet meer goedkomt, De Gruyter dat het uiteindelijk wel zal lukken – hortend en stotend, zeker wanneer de druk hoog genoeg wordt. De recente geschiedenis biedt argumenten voor beide posities. Een opeenvolging van crisissen maakte de Unie sterker. Wat tien of vijftien jaar geleden nog ondenkbaar was, is nu normaal: begrotingstoezicht, gezamenlijke vaccinaankoop, een eurozone die niet uit elkaar spatte maar groeide. Europeanen reizen nog altijd van Finland tot Portugal zonder grenscontroles. Er zijn sancties tegen Rusland en gezamenlijke wapenleveringen aan Oekraïne. Daarmee lijkt De Gruyters benadering op het eerste gezicht overtuigender. Crisissen zijn opportuniteiten: we kennen de riedel. Maar de omslag van crisis naar kans komt er niet altijd en al zeker niet automatisch. De migratiepolitiek blijft een rommeltje – lidstaten willen krampachtig zelf blijven beslissen wie ze wel of niet binnenlaten, of het nu gaat om vluchtelingen of arbeidsmigranten.

Misschien is dat wel de belangrijkste les van beide boeken. De Europese geschiedenis is geen rechte lijn, maar een meanderend parcours vol omwegen, obstakels en onverwachte afslagen. Wat achteraf vanzelfsprekend lijkt, was dat zelden op het moment zelf. De grote doorbraken – te beginnen met de beslissing van Frankrijk en Duitsland om hun kolen- en staalproductie te bundelen – waren sprongen in het onbekende, ingegeven door noodzaak én verbeelding.

Dat Falter en De Gruyter, ondanks hun gedeelde ervaring en eruditie, tot zulke uiteenlopende conclusies komen, is veelzeggend. Beiden vertrekken vanuit hetzelfde uitgangspunt: de Unie is geen natuurgegeven, maar maakbaar. Dat is tegelijk hoopgevend en verontrustend. Het is niet gezegd dat de Unie overeind blijft. Maar evenmin is haar ondergang onafwendbaar. Zoals zo vaak in de Europese geschiedenis, zal alles afhangen van omstandigheden, keuzes en – uiteindelijk – van de mensen die, al improviserend, het pad verder trekken. Er rust veel verantwoordelijkheid bij de mensen die aan het stuur zitten. Maar ook bij ons, want wij bepalen wie plaatsneemt in de cockpit. Ook daarom zijn beide boeken belangrijk: ze houden het debat levendig, ze stellen prikkelende vragen en ze scherpen het zicht.

Europese Unie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next