Home

Een verhaal over iemand die op een stoel zit. En toch is dit een zeldzaam wervelend en opwindend boek

Bob Vanden Broeck In de experimentele debuutroman Je zit op een stoel gebeurt op het eerste gezicht niet veel. Toch weet Bob Vanden Broeck de lezer te grijpen met een hypnotiserende monoloog die de verbeelding in gang zet.

Een boek waarin iemand op een stoel zit, daar nooit van afkomt en daarmee een hele roman lang worstelt – nee, wacht even, niet afhaken. Dit is een zeldzaam wervelend boek.

Er zijn om te beginnen al weinig beginzinnen waarbij je zo lang kunt blijven hangen, omdat hij zo simpel en raadselachtig tegelijk is. Namelijk: „Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.”

Bob Vanden Broeck: Je zit op een stoel. Koppernik, 117 blz. € 22,50

Waarom twee keer die mededeling, en waarom staat daar ‘nee’ tussen, waarop dus een exacte herhaling volgt, een correctie die geen correctie is? Betekent het: ‘nee, wacht even, niet afhaken’? Geeft de herhaling nadruk? Verandert de toon? Moet het tweede zinnetje gewichtiger klinken? Zo van: je dacht misschien dat hier een letterlijke stoelzitter bedoeld werd, maar nee, het gaat om ‘op een stoel zitten’, in figuurlijke zin, symbolisch? Of is het juist andersom: je stelt je niet alleen voor dat je op een stoel zit, dat is niet alleen een zin in een boek, maar je (ja, jij ja!) zít daar ook echt.

Moeten we soms denken aan die taalfilosofische klassieker, Magrittes schilderij van een pijp met daarbij de tekst dat dit geen pijp is? Want slechts een afbeelding van een pijp? Het blijkt inderdaad te gaan over letterlijkheid en figuurlijkheid, over „wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens”, zoals in de volgende zin staat, dus over wat er echt gebeurt en wat dat betekent. Nu die twee samenvallen, ‘je’ zit namelijk twee keer op een stoel, letterlijk én figuurlijk, is er een probleem.

Gedwongen bewegingsloosheid

Waar gaat dit over? Ja, Je zit op een stoel gaat over op een stoel zitten, letterlijk, maar toch vooral figuurlijk: je bent „tot stilstand gekomen”, staat er iets verderop, „te versteend om je te verroeren”, en daarmee zit je „opgesloten in enkele minuten die wel eeuwig lijken te duren”, en „terwijl je daar zit aan een tafel probeer je je vuist in je mond te proppen”, aha, het gaat over frustratie, over machteloosheid, over gedwongen bewegingloosheid.

Je vraagt je nog nauwelijks af waarom, je zit daar nou eenmaal, of tenminste: ik vroeg het me nauwelijks af, ik liet me gewillig door die gebiedende je-vorm op een stoel zetten – want daar slaagt Bob Vanden Broeck (1988) met deze experimentele debuutroman volledig in. Hij grijpt je, dwingt je tot overgave en brengt je in een cadans waar je in wilt blijven. Met die ‘je’ spreekt de verteller misschien zichzelf toe, in een hypnotiserende monoloog, maar je kunt het ook lezen als een soort geleide meditatie, een golf kristalheldere woorden waardoor je je laat meevoeren.

Al kom je daarmee niet bepaald tot rust, Je zit op een stoel brengt eerder onrust. Dit verhaal brengt je níét mindful in het moment, het gaat juist bij je borrelen vanbinnen: de stilstand is een kooi waarvan de tralies je beknellen, nee, Vanden Broeck zegt het beter: „je voelt je als een door de werkelijkheid in spinrag gewikkelde, spartelende, stuiptrekkende vlieg”. Algauw „wil je niets liever dan in beweging komen, deelnemen, verantwoordelijkheid dragen” – hé, ‘verantwoordelijkheid’? Een vlieg, gevangen door de ‘werkelijkheid’?

Met dat soort kleine, ragfijne stapjes wordt de horizon van dit verhaal gaandeweg steeds iets breder. Letterlijk en figuurlijk: door de woorden glipt steeds meer wereld binnen. Zulke woorden als „verantwoordelijkheid” en „werkelijkheid” brengen associaties op gang, over waar dit eigenlijk over gaat, buiten die letterlijke stoel in die kamer om, misschien gaat het wel over de hedendaagse, gemakzuchtige, westerse mens, bij wie via de smartphone de hele wereld binnenstroomt, „je opent een tabblad en je sluit een tabblad”, terwijl die mens, jij dus, zelf stilzit en toekijkt naar het wereldleed, maar ongemakkelijk, want „je kan niet gewoon toekijken, je moet in beweging komen”.

Iets in beweging zetten

Al is dat ook maar één aspect van de interpretatie, je kunt het ook algemener lezen, over indolentie, depressie of angst misschien – en wat daartegenover staat. Het licht: op het licht af! Want die stoel is heus niet alles wat er is, „er zijn altijd opties”. Zwaai even met je hand en de lucht trilt. Of nog sterker: zelfs door iets te willen kun je al iets in beweging zetten, een verlangen is het begin van iets nieuws. Een verlangen plus een herinnering, bijvoorbeeld, zet de verbeelding in gang, vat het in woorden en je fantaseert de liefde voor je ogen, „lakens tot room roeren”, het gevoel barst uit die woorden tevoorschijn, dat is de magie van literatuur: je verbeeldt het en het is er, er is iets.

Dat laat Je zit op een stoel je voelen, ondergaan: het opgesloten ‘nee’ slaat gaandeweg om in een geopende ‘ja’. Al is de eindhalte geen gelukzaligheid: door de nieuwe opening kan immers ook een nachtmerrieachtig beeld binnendringen. Zoals er in het begin al ineens stond dat je „bang [bent] dat je beide ogen in twee waterputten zullen veranderen en dat iemand met geen hand een steen uit je jeugd in een van die putten zal gooien en dat ze na jaren en jaren nog steeds geen plons zullen horen”. Brr. Daar buitelden gelukkig gauw andere beelden overheen. Maar het gevaar blijft loeren, want wie zich openstelt, is kwetsbaar. Die riskeert dat de lelijkheid binnendringt, chaos, zomaar „een met bloed gevulde emmer in een leeg zwembad met oevers van schors”.

Wat een belevenis is dit boek. Ik las het in één ruk uit, in een paar ademloos voelende uren onderging ik deze roes van 117 bladzijden. En toen nog een tweede keer, in etappes, wat moeilijker was: er halverwege koud in vallen is alsof je binnenstapt in een rave die al gaande is. Want dat is het eigenlijk wel, meer dan een boek is dit een rave. Je moet je eraan overgeven, maar dan raak je in vervoering – inhoud en vorm vallen prachtig samen. Niet zonder een paar inzakkende momenten, door iets al te monotoons, maar de voortstuwende beat is opwindend genoeg om je erbij te houden. De veelheid van beelden en de associaties waartoe die uitnodigen, alle lijntjes die je kunt waarnemen, maken het zo veelzijdig dat je geen twee keer hetzelfde meemaakt.

Dus ik wil nog een keer, nog twee of vijf keer wil ik dit ondergaan, ja, en ik wil Je zit op een stoel ook integraal voorgelezen krijgen, met muziek, nee, zonder muziek, gewoon alleen deze muzikale tekst, urenlang, in een zaal met honderden anderen, en dan wat borrelt vanbinnen eruit dansen, en opstijgen. Of gewoon op een stoel, stil zitten en lezen, en ja, alsnog opstijgen.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next