We hadden een bruiloft op de Grote Markt, vlakbij de kermis. We waren even van de borrel weggelopen, omdat Willem, met een vriendin die we nog niet zo lang kennen, in de booster ging. De booster is een kermisattractie met twee ellenlange armen waaraan stoeltjes hangen die je ondersteboven, achterstevoren, tot boven de kerktoren en weer omlaag zwaaien, rond en rond en rond.
Ieder jaar stonden we tot nu toe met ons gezin griezelend naar het martelwerktuig te staren. Willem blufte dan steeds: „Zal ik er gewoon in gaan”, waarop de kinderen en ik hem smeekten de dood niet uit te dagen, blijf hier papa, we hebben je nodig.
Nu was hij toch gegaan, terwijl de kinderen thuis bij de oppas waren, en ik, een beetje teut, met twee andere vriendinnen, op hakken en met een glas wijn vast beneden stond te kijken hoe hij rondgesmeten werd. Ik voerde een half gespeelde show van bezorgdheid op, veel gedrentel, grapjes, Gucci-zonnebril op.
Daar kwamen ze weer voorbijzeilen, één wolk blond haar en gegier.
Willem en ik zijn na tien jaar uit de kleine kinderwoestijn komen kruipen – hand in hand, maar stoffig en dorstig – en komen erachter dat de wereld die we voor de baby’s verlieten er nog steeds is. Voor ons strekt zich opeens een oase uit, waarin mooie mensen wijn drinken, elkaar op ieder feest treffen, hee schat, wat leuk, daar ben je weer, en roddelen, roddelen, roddelen. En daar staan wij dan tussen, het zand uit onze schoenen geklopt, in een nieuw pak en met een nieuw lijf, onwennig, speurend naar de branie van vroeger, die inmiddels begraven is onder een zwaar sediment van nederig stemmend ouderschap, maar evengoed verbaasd over hoe alles hetzelfde blijkt te zijn. De wijn, de lange omhelzingen, de klimmers, pleasers, lieverds, ratten, talenten en naïevelingen. Ze hebben andere namen, maar dezelfde gezichten.
Wat wel veranderd is: wij zijn opgeschoven naar een volgende generatie. De drie kinderen en dat taaie huwelijk blijken een uitzondering. „Jullie zijn echt de enigen!” roepen ze en kijken naar ons alsof we in brand staan. De zin om aan nageslacht te beginnen is buitengewoon klein bij de bright young things.
De belofte van die lange tafel vol lachende kinderen en kleinkinderen, in scherp contrast met de kinderloze bejaarde zonder bezoek, houdt niet langer stand als motivatie om jezelf voort te planten. Vrienden zijn alles, want je kan ze net zo goed als de leden van een gezin aaien, bevrijen, verkoelen als ze ijlen en vasthouden als ze wankelen.
Het is jaloersmakend om die zelfgekozen families te zien bloeien, zo verbonden, maar vrij van al die repetitieve zorg en verplichtingen. Tegelijkertijd is het verstrengeld slapen met een kind met precies de kromme grote teen die je zelf hebt, na een avondlang op je sociale qui vive zijn, een onovertroffen genot.
En zo is er een nieuwe tijd van schipperen aangebroken, van nieuwe vrienden en vrijheidsdrang, van échte gesprekken met bijna-puberende kinderen, van interne crisis, van zekerheid én van de kleinste zoveel als kan tegen je aan drukken, omdat ze het laatste restje woestijn is.
De booster draaide haar laatste rondje. Willem en de vriendin kwamen eruit, rode wangen, maar supercool. Het was een prima ritje geweest.
Die middag bleef Willem maar tegen me zeggen: „Dat had je niet gedacht hè? Dat ik zou durven.”
Eigenlijk de perfecte zin voor waar we zijn.