Negativiteit loont. Had ik gewild dat deze column viraal gaat, had ik er een woedende kop boven moeten zetten: ‘ALARM: Politiek stuurt land regelrecht het ravijn in.’ Onderzoek toont namelijk aan dat elk extra negatief woord in een krantenkop de kans dat men erop klikt met 2,3 procent verhoogt. In sociale media geeft moreel-emotionele taal 20 procent meer kans op verspreiding per woord. Algoritmes zijn gebouwd op aandacht en niets genereert zoveel aandacht als boosheid. Morele verontwaardiging produceert een dopamine-respons in ons brein.
Als er één domein is waar negativiteit bij uitstek werkt, dan is het de politiek. En dit is misschien wel het fundamentele verschil met wetenschap. Toen ik de overstap naar Den Haag maakte, verscheen er een cartoon in de Volkskrant. Op een dun trapje daalde ik af van een kleine planeet genaamd Princeton in een groot zwart gat getiteld ‘Politiek Den Haag’.
Politiek en wetenschap zijn in menig opzicht elkaars spiegelbeeld. Wetenschap ziet zichzelf graag als universeel, precies, rationeel en win-win. Als een onderzoeker een ontdekking doet, kunnen anderen daarop voortbouwen. Politiek daarentegen is nationaal of lokaal, opzettelijk ambigu – iedere politicus weet dat het levensgevaarlijk is een precies antwoord te geven –, emotioneel en zero-sum. Het totale aantal Kamerzetels blijft 150. De winst van de ene partij is het verlies van de andere.
Maar het grootste verschil zit in de grondhouding. Wetenschap is intrinsiek optimistisch. Iedere dag leren we meer, ontdekken we iets nieuws. Problemen worden gekoesterd als kansen voor doorbraken. Bij een collega hangt een poster met „Wiskunde is zo’n drama queen. Ze kan onmogelijk zoveel problemen hebben.”
In het Haagse zwarte gat geldt de tegenovergestelde wet. Wanneer een probleem intensief wordt bediscussieerd, gaan burgers er juist negatiever over denken. Meer debat geeft geen beter begrip of een concrete oplossing, maar juist meer verontwaardiging en frustratie. Een crisis wordt een politiek verdienmodel.
Immigratie is daar een mooi voorbeeld van. Er is een goed gedocumenteerde correlatie tussen media-aandacht voor immigratie en negatievere publieke percepties, los van de werkelijke cijfers. Burgers staan vaak positief tegenover concrete beleidsvoorstellen, denk aan klimaatmaatregelen, maar zodra die politiek worden verpakt, slaat de stemming om. Niet het beleid maakt somber, maar de verpolitieking ervan.
Het bittere is dat juist op gebieden waar wetenschappelijke vooruitgang wordt geboekt, zoals groene energie en medische innovatie, de politieke stemming vaak negatief wordt verdraaid. Zo spreekt men graag over de klimaatcrisis en het zorginfarct. We kunnen problemen oplossen, maar de discussie erover doet ons geloven van niet. Zoals in de bekende cartoon van Gummbah: „Wil je er over zeuren of wil je het oplossen? Over zeuren.”
Dat negativiteit werkt is geen toeval, maar elementaire psychologie. Ons brein is geëvolueerd om een beter oog te hebben voor bedreigingen dan kansen. Wie de giftige slang in de bosjes niet zag, ging dood. Miste je die voedzame bessen, dan was er vast nog een ander struikje verderop. Wanneer we politiek nieuws lezen, gaat onze hartslag omhoog bij negatieve berichten. Zo is ons brein nu eenmaal gebakken.
Politici zijn zich hier maar al te goed van bewust. Negatieve campagneboodschappen worden beter onthouden en beïnvloeden stemgedrag sterker. Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn vaak geen keuze voor een kandidaat, maar tegen het alternatief. Vandaar dat meestal de twee meest gehate politici het tegen elkaar opnemen.
Hoe verbreek je deze spiraal? Zelfs een politicus die positief wil overkomen, wordt door de businessmodellen van de media al snel gedwongen tot scherpte en conflict. Nuance is verliesgevend. Het is wrang dat ook politieke campagnes voor een positief tegengeluid het meest effectief werken als ze de frontale aanval kiezen en de tegenstander keihard aanpakken. Zo word je zelfs als positivo het zwarte gat ingezogen.
Maar laten we eerlijk zijn: we wijzen wel heel gemakkelijk naar de politiek, alsof wij zelf niet verslaafd zijn aan negativiteit. Niets verbindt zo goed als gedeelde verontwaardiging – zelfs over de verontwaardigingscultuur, zoals in deze column.
We zitten graag aan de ‘goede kant’. We fulmineren tegen desinformatie en polarisatie. We delen artikelen over hoe slecht het gaat: de falende politiek, de sensatiebeluste media, het achteruitkachelende onderwijs. Hoe harder je waarschuwt, hoe hoger je morele status. We cultiveren een geïnformeerde vorm van cynisme, maar het blijft cynisme.
Daadwerkelijke problemen verdienen een eerlijke plaats, ergens tussen de wetenschappelijke drama queen en het politieke zwarte gat. De Amerikaanse psychiater Theodore Rubin vatte het mooi samen: „Het probleem is niet dat er problemen zijn. Het probleem is dat we het tegendeel verwachten en denken dat het hebben van problemen een probleem is.”
Er zijn vele subtielere vormen van negativiteit waaraan we ons allemaal schuldig maken. We voelen ons slachtoffer van instituties die we te machtig denken: de falende overheid, megalomane techbedrijven. We koesteren wantrouwen tegen medeburgers die we niet willen leren kennen. We geven de moed op omdat de politiek toch niets verandert. We vluchten weg in onze eigen bubbel en delen alleen ons eigen gelijk.
Hier ligt de pijnlijke waarheid: wij zijn allemaal op een of andere manier medeplichtig aan een cultuur van negativiteit.
Misschien begint het doorbreken hiervan door het stellen van wat simpele vragen: Waar zag ik vandaag vooruitgang? Wie deed iets goeds? Wat werkte wel? Niet als naïef optimisme, maar als een bewuste correctie op het pessimisme dat miljoenen jaren overlevingsstrijd bij ons heeft ingesleten. Natuurlijk kunnen we ook blijven klagen over het geklaag. Dat is lekker veilig. En het levert gegarandeerd meer clicks op.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin