Home

Echte vrijheid betekent loslaten en ontstijgen van het individu

Zingeving In tijden van maakbaarheid zijn we zoekender dan ooit. Elk individu moet voldoen aan een onmogelijke eis, zeggen Esther van Fenema en Joost Röselaers: zichzelf verwezenlijken.

In onze spreekkamers – de ene in de psychiatrie, de andere in de kerk – verschijnt een vergelijkbaar en verontrustend beeld. Mensen die hun leven ogenschijnlijk op orde hebben, maar toch vastlopen. Een jonge professional die na jaren studeren alle mogelijkheden heeft, maar verlamd raakt door keuzestress en perfectionisme. Of een jonge digitale nomade die alles zelf wil bepalen en juist daardoor nergens meer wortelt. Waar vrijheid hen in eerste instantie bevrijdde, begint ze nu te ontregelen. Want zonder richting of begrenzing ontbreekt vaak houvast.

Esther van Fenema is psychiater en publicist.

Joost Röselaers is theoloog en predikant.

Samen schreven ze o.a. het boek Groter dan ik – een psychiater en een predikant op zoek.

Het individu, ooit bevochten als hoogste ideaal, blijkt in de praktijk een uiterst kwetsbare construct. Cultureel gezien hebben we ons losgemaakt van structuren die ooit vormend waren: familie, kerk, gemeenschap. Die verbanden konden soms ronduit beschadigend zijn, maar in onze poging om onszelf te bevrijden hebben we ook iets wezenlijks verloren: een vanzelfsprekende bedding.  

We hebben het individu in de jaren 60 en 70 bevrijd, maar gaandeweg de afgelopen decennia is het verstrikt geraakt in wat de Vlaamse psychiater Dirk de Wachter ‘de ikkigheid’ noemt. Een term die beschrijft hoe we geïsoleerd zijn geraakt in verschillende domeinen van het leven.  

De mens kan niet leven zonder verbondenheid met iets wat hem overstijgt. Zonder die verbinding wordt de verlatenheid scherper en blijft de oorspronkelijke diagnose van eenzaamheid onverminderd van kracht. Dat is een doodlopende weg voor het individu en voor onze samenleving.

Collectief opzoeken

Familie bijvoorbeeld, is van een vanzelfsprekend verband veranderd in een keuze. Dat lijkt een vooruitgang, maar heeft ook een prijs. In de praktijk staan mensen vaak alleen. Juist in de crisisdienst, na een suïcidepoging of een acute ontregeling, wordt zichtbaar hoe vaak iemand er feitelijk alleen voor staat, omdat bijvoorbeeld relaties zijn verbroken of het contact is verwaterd. Tegelijk zien we dat bij ziekte, verlies of een naderende dood het verlangen naar bloedverwanten nog springlevend is en blijkt hoe fundamenteel die verbondenheid met verloren familie is.

In de bredere samenleving zien wij een vergelijkbare ontwikkeling. Traditionele verbanden zijn verdwenen, maar het verlangen naar collectiviteit blijft. Alleen krijgt dat verlangen nu vaak een vluchtige of gefragmenteerde vorm. Het uit zich in nieuwe vormen van groepsvorming: online communities rond mentale gezondheid of identiteit, tijdelijke actiegroepen, digitale subculturen en sterk gepolariseerde bewegingen waarin mensen zich scherp afzetten tegen een ander. Het zijn verbanden waar je net zo makkelijk weer uit verdwijnt als je erin stapt. Dat kan verbinden, maar houdt zelden stand als het leven schuurt. En de behoefte om ergens bij te horen, deel uit te maken van iets dat groter is dan jezelf, blijft.

De mens zoekt, expliciet of impliciet, naar iets dat hem overstijgt. Iets dat richting geeft, zonder dat het volledig door hemzelf hoeft te worden gedragen. De natuur kan bijdragen om het zelf te overstijgen. De natuur is haast per definitie transcendent, groter dan ik. In de kunst zien we iets vergelijkbaars. Een muziekstuk, een schilderij, een roman kan je plots optillen uit jezelf. Even ben je niet bezig met je eigen verhaal, maar opgenomen in dat van een ander of in iets dat zich niet laat uitleggen. 

Leegte is voelbaar

En dan is er de dood. Misschien wel de meest directe confrontatie met het ‘groter dan ik’. De dood laat zich niet sturen. Hij ondergraaft elk idee van maakbaarheid. In de medische praktijk is vaak te zien hoe moeilijk dat te accepteren is. Behandelingen worden voortgezet, ingrepen herhaald, alsof het leven eindeloos gerekt kan worden. Tegelijk verlangen mensen dan juist naar controle, door het moment te plannen waarop het leven eindigt.

In beide gevallen speelt dezelfde onderliggende gedachte: dat de dood binnen onze regie valt. Maar de dood maakt zichtbaar wat wij niet kunnen beheersen – en daarmee wat er werkelijk toe doet.

En tenslotte God. Of breder: het idee dat er iets is dat ons bestaan draagt en overstijgt. Een grond onder ons bestaan. Waar vroeger religieuze tradities en verhalen, in het christendom, maar ook in andere religies, een gevoel van transcendentie richting gaven, is nu vooral de leegte daarvan voelbaar. Tegelijk blijft het verlangen bestaan.

Niet altijd in traditionele vormen, maar wel in de behoefte aan betekenis, aan ordening, aan iets wat het individuele leven overstijgt.

Het verlaten individu zal niet worden verlost van de leegte door een van deze dingen, natuur, kunst of een God, maar doordat individuen zelf het initiatief nemen en de moed opbrengen om zich, ieder op eigen wijze, te verbinden aan iets groters dan zichzelf.

Dat is het handelingsperspectief dat hier overblijft. Antimachteloosheid. Niet groots en meeslepend, maar dagelijks te oefenen. In een tijd waarin grote verhalen ontbreken en het individu onder druk staat, is dat geen spectaculaire oplossing. Maar wel een manier om onze menselijkheid anno nu weer te voelen zoals die bedoeld lijkt.

Psychologie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next