Etty Hillesum Drie nieuwe boeken over het innerlijke leven van dagboekschrijfster Etty Hillesum gaan in op de vraag waarom zij tijdens de Tweede Wereldoorlog niet wilde onderduiken en hoe zij zo in de ban kon raken van chiroloog Julius Spier.
Berlijn, 1930: Julius Spier prepareert de hand van een jonge vrouw voor het maken van een afdruk.
Het is inmiddels vijfenveertig jaar geleden sinds de eerste selectie uit dagboekaantekeningen van Etty Hillesum (1914-1943) onder de titel Het verstoorde leven verscheen. De briljante teksten uit oorlogstijd deden Nederland, en al snel ook de rest van de wereld, versteld staan. Historici, filosofen en theologen raakten niet uitgepraat over de jonge Joodse vrouw die in steeds bedreigender externe omstandigheden verslag deed van de spectaculaire ontwikkeling van haar innerlijke wereld. In 2022 leek aan veel discussies een eind te komen met de publicatie van Judith Koelemeijers uitmuntende Etty Hillesum-biografie.
Leek. Want de afgelopen maanden verschenen er ‘gewoon’ weer drie boeken over Hillesum en haar omgeving: de publiekversies van twee proefschriften en een filosofisch-essayistische studie. De nieuwe boeken raken aan twee vragen die binnen de ‘Hillesumkunde’ voor de meeste controverse hebben gezorgd. De eerste: hoe kon het toch dat de slimme, eigengereide Hillesum volledig in de ban raakte van de controversiële Duits-Joodse handlezer Julius Spier (1887-1942), die erom bekendstond om in therapeutische sessies met zijn jonge vrouwelijke leerlingen annex bewonderaars te ‘ringen’ (worstelen)? De tweede: waarom sloeg Hillesum het aanbod af om onder te duiken en was zij vastbesloten het Joodse leed in de kampen te delen, ten volle beseffend dat die keuze haar ondergang zou kunnen betekenen?
Alexandra Nagel: Julius Spier en de kunst van het handlezen. Balans, 280 blz. €24,99
Julius Spier is in de literatuur neergezet als een pseudowetenschapper, een charlatan die op een handige manier jonge vrouwen inpalmde. Door Koelemeijer is dat beeld genuanceerd: zij beschreef Spier als een wat ijdele maar wijze leermeester die Hillesum inspireerde om zichzelf te ontplooien, onder meer door een dagboek te gaan bijhouden en op die manier overeind te blijven in een wereld die steeds verwarrender en bedreigender werd. Een cruciale en intrigerende figuur dus, en het is goed te begrijpen dat Alexandra Nagel, historicus op het gebied van de westerse esoterie, besloot om op een biografie van Spier te promoveren, wat ze deed in 2020. Inmiddels heeft ze op basis van haar promotieonderzoek een geheel nieuw boek geschreven voor een breder publiek: Julius Spier en de kunst van het handlezen.
Jan Oegema: Een apart soort moed. Boom, 256 blz. €24,90
Nagel laat mooi zien hoezeer het handlezen in begin-twintigste-eeuws Duitsland, samen met een keur aan andere pseudowetenschappen – handschriftkunde, astrologie, heilmagnetisme – kon floreren als tegenreactie op de toegenomen industrialisatie en rationalisatie. Voor Spier was het handlezen aanvankelijk een hobby die hij uitoefende naast zijn kantoorbaan bij een metaalhandelsfirma in Frankfurt. Ook was hij een gepassioneerde muziek-, literatuur- en vrouwenliefhebber; hij was een echte ‘gevoelsman’, aldus Nagel.
Lotte Bergen: Het verweer van Etty Hillesum tegen het nazisme. Walburg Pers, 304 blz. €24,99
Rond 1925 kwam Spier in aanraking met de grote psychiater Carl Gustav Jung, bij wie hij, mede als gevolg van huwelijksproblemen, in ‘leeranalyse’ ging, een soort combinatie van opleiding en therapie. Spier kon het goed vinden met Jung, die op zijn beurt onder de indruk raakte van Spiers gaven op het gebied van de chirologie, zoals de handleeskunde ook werd genoemd. Onder invloed van Jung ontwikkelde Spier een eigen methode, de ‘psychochirologie’, die op basis van handlijnen uitspraken deed over iemands psychische en fysieke gesteldheid in combinatie met aangeboren aanleg. Hij deed nadrukkelijk niet aan waarzeggen of toekomstvoorspelling, maar probeerde bij te dragen aan iemands zelfontwikkeling. Opvallend veel vrouwen raakten door hem geïmponeerd; hij kon de indruk wekken hen écht te zien.
Jung adviseerde Spier om professioneel aan de slag te gaan in Berlijn, waar binnen de salons van de artistieke voorhoede veel belangstelling bestond voor esoterische stromingen. Binnen de kortste keren was Spier er een graag geziene gast, die zijn toehoorders voor zich innam met wijsheden als ‘de hand is de spiegel van de ziel’. Door enkele verbluffende staaltjes handlezen werd hij een van de beroemdste chirologen van zijn tijd.
Na de machtsovername van Hitler was Spier, inmiddels gescheiden, als Jood zijn leven niet meer zeker in Duitsland. Hij vluchtte naar Amsterdam. Daar ontstond een hechte ‘Spierclub’ van bewonderende jonge vrouwen – Etty Hillesum was een van hen – die door Spier werden onderwezen in de handleeskunde én in therapie waren bij hem. Vast onderdeel was het ‘ringen’, vanuit het idee dat lichaam en geest één zijn. Spier maakte daarbij nogal eens ‘de oudste stuiptrekkingen ter wereld’, zoals Hillesum het in haar dagboek verwoordde.
De rollen liepen dus nogal door elkaar heen, en Nagel schrijft terecht dat dergelijke praktijken volgens de huidige therapeutische maatstaven niet door de beugel kunnen. Opmerkelijk genoeg wijst ze tegelijkertijd ‘verzachtende omstandigheden’ aan. Die zijn weinig overtuigend: dat Spier bijvoorbeeld met zijn beroep pionierde, doet er niets aan af dat hij grenzen overschreed (wat destijds door sommige leerlingen ook werd benoemd).
Nadat Spier verrassend accuraat Hillesums handen had gelezen – het verslag ervan is integraal opgenomen aan het einde van Nagels boek – werkte Hillesum zich niet alleen op tot Spiers persoonlijke secretaresse, maar werd ze ook zijn minnares. Spier was in deze periode de centrale figuur in haar leven, die precies wist hoe hij haar moest stimuleren – met diepgaande kennis over haarzelf tot gevolg. Toen Spier in september 1942 aan longkanker overleed, enkele dagen voordat de Gestapo bij hem voor de deur stond om hem naar Westerbork te deporteren, was Hillesum een ander mens geworden.
De handafdrukken van Etty Hillesum, gemaakt in 1941.
Hoewel Nagels algemene beeld van Spier niet wezenlijk afwijkt van dat van Koelemeijer, heeft haar boek wel degelijk meerwaarde door het inzicht dat ze biedt in de achtergrond, methoden en aantrekkingskracht van de charismatische chiroloog – en daarmee ook in de wordingsgeschiedenis van Hillesums filosofie.
De andere recentelijk gepubliceerde historische studie, Lotte Bergens Het verweer van Etty Hillesum tegen het nazisme, voegt minder toe. Het is een nauwelijks gewijzigde versie van haar gedegen proefschrift uit 2022, dat zich keerde tegen de aanname dat Hillesum passief haar ondergang tegemoet zou zijn gegaan. Bergen introduceert daartoe het sociologische begrip ‘agency’ (eigenaarschap). Met veel verwijzingen naar andere auteurs beargumenteert Bergen dat Hillesum door te schrijven de regie over haar leven nam, en dat ze zich ontwikkelde tot een autonome geest die zélf besloot hoe zich op te stellen tegenover de Jodenvervolging. Het leidde ertoe dat Hillesum moedwillig naar Westerbork vertrok om te redderen over haar lotgenoten. „Ze was daar een actieve, handelende vrouw die weloverwogen en met een vooruitziende blik, die verder reikte dan haar eigen leven, haar koers bepaalde”, schrijft Bergen. Hillesum verliet het doorgangskamp zingend, zo schreef ze op 30 september 1943 in een afscheidsbriefje vanuit de trein naar Auschwitz, waar ze werd vermoord.
Bergen gaat vrijwel niet in op Koelemeijer, die in haar biografie Hillesum óók agency toedichtte (maar dan zonder die term te gebruiken) en zich verzette tegen het idee dat Hillesum naïef zou zijn geweest. Bergens visie verschilt nauwelijks van die van Koelemeijer, alleen is haar boek schoolser en minder pakkend geschreven.
Letterkundige Jan Oegema heeft met Een apart soort moed juist het tegenovergestelde van een schools boek gepubliceerd. Hij tast en zoekt, legt verrassende verbanden en schiet hier en daar ook weleens uit de bocht. Oegema komt er open voor uit dat hij Etty Hillesum vereert en vergelijkt haar met de groten der aarde. Jezus, Franciscus, Ghandi. Ja, zelfs Madonna. Dat had helemaal verkeerd kunnen uitpakken, maar Oegema’s enthousiasme werkt aanstekelijk. Met volle overgave zet hij zich aan een close reading van Hillesums teksten, waarop hij vervolgens erudiet associeert, in een soort constante gedachtestroom die Hillesum zelf in haar dagboeken ook hanteerde. Via verhalen uit de oudheid – bijvoorbeeld over Antigone, die net als Hillesum met de volste rust haar ondergang tegemoet trad – en denkbeelden van filosofen en schrijvers komt hij tot diepere inzichten in de manier waarop Hillesum de ‘moed tot zichzelf’ verwierf.
Startpunt voor Oegema is een passage uit Hillesums dagboek waarin ze vermeldde dat ze op een avond in maart 1942, de anti-Joodse maatregelen werden inmiddels in hoog tempo uitgevaardigd, op welhaast extatische wijze voor de Spierclub had staan dansen. „Nachten en nachten zou ik kunnen doordansen”, schreef ze, „en dat is een zinnelijkheid, die uit veel diepere diepten komt dan uit die van het lichaam alleen.” Oegema neemt de passage dankbaar aan om breeduit te associëren met de bacchanten uit een tragedie van Euripides. En met de hoofdpersoon uit het beroemde ballet Le Sacre du Printemps, een jong meisje dat zichzelf de dood in danst. Het uitzinnige dansen is volgens Oegema niet alleen een aanwijzing dat Hillesum toegroeide naar een ruimer idee van vrijheid, maar ook dat ze het steeds beter aandurfde om buiten het denken te treden – net zoals ze in die periode beschreef hoe ze, geknield op een bruine kokosmat in de badkamer, op onregelmatige momenten „een dolzinnige of kinderlijke of doodernstige dialoog” voerde, „met dat allerdiepste in me, dat ik gemakshalve maar God noem.” Oegema stelt vast: „Hillesum danst en bidt zich naar Westerbork toe.”
In drie hoofdstukken gaat Oegema vervolgens in op de leerling-meesterverhouding tussen Hillesum en Spier. Hillesum was volledig in de ban van Spier, ze gaf zich aan hem over. Dat zou je kunnen zien als een verstandsverbijstering, of als een gebrek aan autonomie, maar Oegema ziet er juist een bewijs van talent en ambitie in. Ze wilde zich aan Spier overgeven, juist omdat hij in haar ogen de zelfmoed bezat om uit te reiken naar de medemens zonder daarbij ook maar enigszins gehinderd te worden door onzekerheden, taboes of conventies. Oegema gaat de verschillende fases af in het geslaagde moedverwervingstraject dat Hillesum bij Spier onderging: ze liet zich verwarren, onderwierp zich, zette zich af, en kwam uiteindelijk in een welhaast mystieke staat van volledig evenwicht waarin ze de moed tot zichzelf vond.
Over Hillesums agency denkt Oegema eveneens door, met verwijzing naar Bergen. Die schrijft over Hillesum: „Niemand bepaalt voor haar hoe zij zich moet opstellen tegenover de vervolging, dat beslist zij zelf.” Maar wie was die ‘zelf’? Dat is een complexe vraag: Hillesum viel uiteen in deelpersoonlijkheden, schrijft Oegema. Bovendien werd ze, zeker na de dood van Spier, getroffen door iets van buitenaf, een raadselachtig soort gevoel van voorbeschikking waarop ze juist geen controle leek te hebben.
Zo verdiept en compliceert Oegema hetgeen er al over Hillesum is geschreven. En hij voegt er nieuwe dimensies aan toe, want hij formuleert een aantal lessen die Hillesum, een ‘pedagoge van de moed’, ons gewone stervelingen in de huidige tijd te bieden heeft. Bijvoorbeeld als het gaat om de ‘moed tot lijden’ – en hoe je die kunt verbinden met waardigheid, solidariteit en acceptatie, maar ook met strijdbaarheid.
De boeken van Oegema, Bergen en Nagel bieden samen meer dan voldoende stof tot verder nadenken over Hillesum en haar filosofie. En bij deze laatste oogst zal het niet blijven– alleen al het feit dat er een hoogwaardige, internationale tv-dramaserie over het leven van Etty Hillesum op stapel staat, zal ongetwijfeld een nieuwe generatie duiders aanboren. Maar ook los daarvan bieden Hillesums intrigerende teksten eindeloze mogelijkheden tot reflectie. De Hillesumkunde is springlevend, dat staat wel vast.