Dick Schoof neemt deze dinsdagmiddag het eerste exemplaar in ontvangst van het boek Het experiment-Schoof. Het zijn wetenschappelijke ‘beschouwingen’ over zijn kabinet van PVV, VVD, NSC en BBB, er werkten 26 onderzoekers en een journalist aan mee. En als het goed is, weet hij al wat erin staat. Politicoloog Simon Otjes, bedenker, medeauteur en eindredacteur van het boek, zegt dat Schoof een pdf-bestand opgestuurd heeft gekregen.
Het zal hem niet zijn meegevallen.
Wat in het begin, juli 2024, nog goed ging: bij kiezers zonder hbo- of universitaire opleiding was het vertrouwen in de Haagse politiek flink gestegen, opiniepeilers Peter Kanne en Asher van der Schelde schrijven erover in een eigen hoofdstuk. Dit kabinet, was het idee bij die kiezers, zou er voor hén zijn. Aan het eind van dat jaar, met veel ruzie en gedoe, was het effect alweer weg.
Simon Otjes deed zelf samen met anderen onderzoek naar de omgang van lobbyisten met de partijen in het kabinet-Schoof. Het viel hun op dat bedrijven makkelijk binnenkwamen bij de PVV. En ook: dat de regeringspartijen na een tijdje zo van elkaar „vervreemd” waren geraakt dat lobbyisten soms „als postbode dienden”, ze brachten boodschappen over. Schoof, staat aan het eind van het lobbyhoofdstuk, had gezegd dat zijn kabinet „met maatschappelijke organisaties aan het werk wilde”. Maar deze „afhankelijkheid”, schrijven de onderzoekers, „was waarschijnlijk niet wat hij voor ogen had”.
Dat PVV, VVD, NSC en BBB het in de tijd van Schoof over maar héél weinig eens waren, blijkt uit de analyse van hun stemgedrag over moties, amendementen en wetten. Vooral de PVV, staat in Het experiment-Schoof, „gedroeg zich publiekelijk oppositioneel, wat past in strategieën van populistische partijen bij regeringsdeelname”: ze blijven tekeer gaan tegen instituties.
Voor het boek is onderzoek gedaan naar „de sluipende normalisering van radicaal-rechts”, vooral in de media, en naar de wetgeving van het kabinet, „een magere oogst”. Er is ook nagegaan hoe er was omgegaan met ambtelijke en juridische adviezen: „Negeren, ageren, traineren.” Het gaat ook weer over de lijst met acht kandidaat-premiers, onder wie oud-CDA-staatssecretaris Marnix van Rij, SER-voorzitter Kim Putters, CDA’er Richard van Zwol, PVV’er Martin Bosma – alleen Dick Schoof zei ja. En over de nacht dat er werd onderhandeld over de Voorjaarsnota en Schoof op de gang zat.
Eén keer eerder was in Nederland een topambtenaar premier geworden: Theo de Meester, in 1905. Ook toen hadden eerst een paar anderen nee gezegd. De Meester wilde minister van Financiën worden, het premierschap was hij erbij gaan doen. Hij leidde een moeizaam minderheidskabinet dat ‘het kabinet van kraakporselein’ werd genoemd, het viel na twee jaar. In Het experiment-Schoof staat: „De Meester had als premier weinig indruk kunnen maken.”
Het experiment, dat lijkt me na dit boek zo goed als zeker, is mislukt. Waarom zou je, als je Dick Schoof bent, dan nog op een podium willen staan om het zelf in ontvangst te nemen?
Simon Otjes zegt dat Schoof de eerste keus was, maar dat het „een beetje dubbel” voelt: „Je zou kunnen denken: als hij dit doet, zal het vast niet zo kritisch zijn.” Otjes had het ook wel willen aanbieden aan één van de andere kandidaat-premiers op het lijstje. Kim Putters bijvoorbeeld, of Richard van Zwol.
Maar Schoof zei ja.
Petra de Koning doet elke dinsdag verslag over de Haagse politiek (p.dekoning@nrc.nl)