In de Filipijnen staken chauffeurs van de iconische jeepneys. De regering verbiedt ze kaartjes duurder te maken, zelfs nu de brandstofprijzen zijn verdubbeld door de oorlog in Iran. Elke dag reizen miljoenen forenzen met de rammelende, kleurrijke busjes.
is correspondent Zuidoost-Azië van de Volkskrant. Hij woont in Indonesië.
‘Ik verdien nog maar 200 peso (2,80 euro, red.) per dag’, treurt de 47-jarige jeepney-chauffeur Rudy Soriano, die al jaren forenzen rondrijdt in de Filipijnse provincieplaats Talisay. Voor de Iran-oorlog verdiende hij nog 1.000 peso (14 euro) per dag. Net genoeg om zijn vrouw en vijf kinderen van te onderhouden, verzekert hij op de Filipijnse nieuwswebsite Rappler. Veel van zijn collega’s verdienen inmiddels bij als monteur of bouwvakker.
De gestegen brandstofprijzen door de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran raken bijna iedereen in de wereld, maar de chauffeurs van de bont beschilderde jeepneys, rammelende minibussen die dagelijks miljoenen Filipino’s vervoeren, zijn bijzonder de klos. Zij mogen van de overheid niet meer dan 13 peso (18 cent) vragen voor een kaartje, terwijl hun brandstofprijs is gestegen van 55 naar 123 peso per liter.
De Filipijnen, die voor ruim 95 procent afhankelijk zijn van olie uit de Golfregio, riepen in maart de noodtoestand uit. De overheid bood een bescheiden brandstofsubsidie, maar wil niet dat het openbaar vervoer duurder wordt.
Deze week staakten de jeepney-chauffeurs voor de derde keer. De transportsector vroeg opnieuw toestemming de ticketprijs te verhogen naar 23 peso (32 cent). Tegelijkertijd wil de sector af van nieuwe regels om de uitstoot van de vaak stokoude, walmende jeepneys te beperken en de veiligheid voor passagiers te verhogen. De overheid ziet graag elektrische minibussen verschijnen met veiligheidsgordel en airco.
Tot groot ongenoegen van de naar schatting zeshonderdduizend chauffeurs, vaak kleine zelfstandigen die geen geld hebben om een moderne bus te kopen. En van nostalgische liefhebbers van het iconische voertuig: geen souvenirshop is compleet zonder een model van deze koning op de Filipijnse weg, ooit afgeleid van de militaire terreinwagens die kolonisator Amerika in 1946 achterliet.
Het land telt circa tweehonderdduizend jeepneys, die dagelijks worden gebruikt door naar schatting veertig miljoen passagiers die naar school, naar de markt of naar kantoor moeten. Met gebogen hoofden (het dak is laag) zitten zij zijwaarts op lange banken, knie tegen knie, terwijl een warme wind door de open zijkanten waait. Veel eigenaren laten hun jeepney customizen; met Bijbelse taferelen, Amerikaanse superhelden of een portret van hun kinderen.
De overheid probeert al sinds 2017 de jeepney-vloot te moderniseren door schonere motoren te eisen, meer capaciteit, deuren die dicht kunnen, stoelen die naar voren zijn gericht en een hoger plafond. Het resultaat lijkt verdacht veel op een gewone bus.
Omdat die veel duurder zijn dan een jeepney, die chauffeurs vaak zelf in elkaar sleutelen met tweedehands onderdelen, kunnen alleen nog bedrijven of coöperaties passagiers gaan vervoeren. Tot nu toe wisten de chauffeurs telkens weer uitstel te bedingen, erop wijzend dat honderdduizenden kleine zelfstandigen anders hun broodwinning zouden verliezen. Door de Iran-oorlog gebeurt dat alsnog.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant