Dertig jaar lang liet deze vraag schrijver Juan Gabriel Vásquez niet los. Met zijn laatste roman, gebaseerd op het leven van de Colombiaanse kunstenaar Feliza Bursztyn, geeft hij antwoord – en ontleedt hij en passant zijn geboorteland.
is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.
Toen de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez (1973) op 23-jarige leeftijd een onbekende ziekte opliep in Parijs – hij bleek later tuberculose te hebben – las hij in een wachtruimte in een ziekenhuis een zin, geschreven door de grote Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez (1927-2014), die hem drie decennia lang niet losliet.
Die zin luidde: ‘De Colombiaanse beeldend kunstenares Feliza Bursztyn, die in Frankrijk in ballingschap leefde, is afgelopen vrijdagavond 8 januari om 22.15 uur in een restaurant in Parijs van verdriet gestorven.’
Waarom liet die zin u niet los?
‘García Márquez schreef deze zin in 1982, ik las hem in een wat oudere bundeling columns van hem. Hij was een van de vrienden die erbij was toen Feliza op 48-jarige leeftijd in een Russisch restaurant in Parijs overleed. In zijn diagnose zat iets mysterieus. En ik dacht: kan iemand sterven van verdriet, zoals García Márquez zegt? Ik voelde dat er een venster bij me openging en ik wist meteen dat ik ooit over Feliza wilde schrijven’, zegt Vásquez met een Colombiaans-Spaans accent tijdens een bezoek aan Amsterdam.
Juan Gabriel Vásquez was toen hij die bewuste zin in 1996 las nog niet de romanschrijver die hij nu is; hij had welgeteld één kort verhaal gepubliceerd. ‘Ik hoop dat niemand dat ooit zal lezen, haha!’
Inmiddels wordt hij beschouwd als een van de grootste hedendaagse schrijvers van Latijns-Amerika. Zijn werk is verschenen in meer dan dertig talen. Hij verwierf internationale faam met onder andere zijn roman De informanten (2004) en De reputaties (2013), die ook in Nederland lovend werden ontvangen. Daarnaast schrijft Vásquez voor de Spaanse krant El País.
Toen u als jongeman die zin over Feliza Bursztyn las, wist u niet wie zij was?
‘Nee, in Colombia was ze vergeten. Ik ben niet meteen begonnen met een roman over haar, eerst heb ik andere boeken geschreven. Pas in 2013 ging ik op een methodische manier onderzoek naar haar doen. In 2023 ben ik De namen van Feliza daadwerkelijk gaan schrijven.’
U schrijft over haar: ‘Niets aan haar was eenvoudig. Zelfs niet haar naam.’ Wat maakte haar bijzonder?
‘Haar naam werd altijd en overal verkeerd gespeld! Feliza was bovenal een vrije vrouw. Dat is de reden voor haar succes, maar het is ook de reden voor haar ongeluk, voor haar ellende, want de zoektocht naar vrijheid bracht haar veel tegenslag en tragedies.
‘Ze was dochter van Pools-Joodse vluchtelingen in Colombia. Ze had een sterke roeping als kunstenaar, maar haar familie en eerste man accepteerden dat niet.
‘Ze was een vrouw uit de Colombiaanse bourgeoisie, maar ze voelde verwantschap met links. Ze sympathiseerde met de Cubaanse revolutie en dat veroorzaakte uiteindelijk problemen voor haar in de Colombiaanse samenleving in de jaren van de Koude Oorlog.
‘Zodoende was haar hele leven een strijd, een strijd tegen de grenzen die de wereld waarin ze opgroeide haar oplegde. Ze wilde moeder zijn zoals zij moeder wilde zijn. Kunstenaar zoals zij kunstenaar wilde zijn. Joods zijn, links zijn. Alles volgens háár overtuigingen. Daarvoor betaalde ze uiteindelijk een hoge prijs.’
Hoe beschouwt u haar kunstenaarschap?
‘Zij was een pionier in Colombia. Ze studeerde beeldhouwkunst in Parijs bij de beroemde beeldhouwer Ossip Zadkine (1888-1967) en leerde daar werken met traditionele materialen, met gips, marmer en brons. Maar bij terugkeer in Colombia realiseerde ze zich dat er in haar land geen bronsgieterijen waren, geen steengroeven, geen bergen voor marmer. In plaats van terug te keren naar Europa, bleef ze werken met wat er voorhanden was, namelijk afval dat ze vond op bouwplaatsen. En ze gaf die materialen, die voorheen ergens anders voor hadden gediend, een nieuwe betekenis als kunstwerk.
‘Haar werk werd aanvankelijk slecht ontvangen door de Colombiaanse artistieke gevestigde orde. Die vond het onorthodox dat er sculpturen werden gemaakt van afvalmateriaal, maar vooral dat een vrouw dat deed. Er werd neergekeken op het feit dat een vrouw met materialen werkte alsof ze in een autowerkplaats was. Zij moest de wereld er steeds van overtuigen dat dit ook kunst was.’
Dat lukte haar uiteindelijk, ze bevond zich in het hart van de Colombiaanse culturele elite van die tijd.
‘Ja, ze was beroemd, zowel om haar beeldhouwkunst als om haar persoonlijkheid. En bovenal om haar schaterlach.’
O ja?
‘Over haar lach schreven Colombiaanse dichters gedichten, zo beroemd was die lach. Het was die tegenstrijdigheid die de doorslag gaf een roman over haar te schrijven. Waarom sterft een vrouw die beroemd is om haar lach, van verdriet?’
Om daar achter te komen sprak u met veel mensen uit haar omgeving. Hoe heeft u dat aangepakt?
‘De eerste die ik sprak was haar weduwnaar Pablo Leyva, die erbij was toen zij stierf in dat restaurant in Parijs; ze waren tien jaar samen. Ik had al snel door dat de roman via hem verteld moest worden. Hij moest het middelpunt worden, als een soort kroongetuige.
‘Dus ik zocht hem op, vertelde hem over mijn plan. Na verloop van tijd kregen we een vertrouwensband en ontstond er iets wat op vriendschap leek. Hij was heel genereus: niet alleen liet hij me al zijn documenten zien, hij stelde ook zijn geheugen voor mij open. Daar begon het allemaal.
‘Voor de rest sprak ik met zo’n beetje iedereen die haar had gekend en nog in leven was, om te proberen een beeld van haar te krijgen. Om vervolgens, met de verbeelding van de romanschrijver, het beeld compleet te maken, alles te vertellen wat je in een biografie niet kunt vertellen. Voor mij is de eerste regel van fictie: zeg wat niet op een andere manier gezegd kan worden.’
Het is fictie, maar De namen van Feliza leest soms als een biografie.
‘Ik heb geprobeerd me voor te stellen wat ze voelde, wat ze dacht, in haar huid te kruipen. In die zin heb ik niets anders gedaan dan wat Virginia Woolf deed met Mrs. Dalloway. Of Flaubert met Madame Bovary. Dat is wat een romanschrijver doet: we vallen de geest, de gevoelens en de emoties van een personage binnen om de wereld vanuit de ander te bekijken.’
Wat vond haar man Pablo van het resultaat?
‘Dat was voor mij het spannendste deel van het ongeschreven contract dat ik met hem had: het moment dat Pablo mijn manuscript zou lezen en zijn mening zou geven. Als hij tegen mij had gezegd: ‘Dit is Feliza niet, je hebt haar verkeerd begrepen’, dan zou ik dat vreselijk hebben gevonden. Dus ik nam een risico hem voor publicatie het manuscript te laten lezen. Maar ik vond dat wel zo eerlijk, een kwestie van rechtvaardigheid. En gelukkig las hij het manuscript en zei hij tegen me: ‘Dit is hoe Feliza was.’
Maar als hij had gezegd: ‘Je zit ernaast.’ Wat had u dan gedaan?
‘Dan had ik het boek niet gepubliceerd. Het doel was om een portret van haar te schetsen. En als het portret slecht uitvalt en totaal niet op het model lijkt, tja, dan heeft de schilder daarin gefaald.’
Feliza Bursztyn (1933-1982) leidde een kort maar intens leven. Ze scheidde van haar eerste Amerikaanse man die haar verbood kunstenaar te zijn. Ze verliet hem nadat hij met zijn vuist op haar hand sloeg, om zo te voorkomen dat ze die nog kon gebruiken om haar vak uit te oefenen. Hij vertrok vervolgens met hun drie jonge dochters naar de Verenigde Staten; zij bleef in Colombia met haar nieuwe geliefde, de dichter Jorge Gaitán Durán. Ze werd hierom verstoten door haar familie.
Maar haar geliefde dichter verongelukte in 1962 op 38-jarige leeftijd bij een vliegtuigongeluk. Jaren later raakte Feliza zelf ernstig gewond bij een auto-ongeluk waarbij haar beste vriendin overleed. Intussen hield het conservatieve Colombiaanse regime Feliza steeds nauwer in de gaten vanwege haar artistieke contacten met Cuba.
Ze liet haar drie jonge dochters bij haar ex-man achter. Had ze een andere keuze?
‘Ik denk dat haar sociale omgeving, op dat moment in de geschiedenis van de 20ste eeuw, haar dwong te kiezen tussen haar leven als moeder en haar leven als kunstenaar. Ze heeft grote offers gebracht, maar ze deed het om haar vrijheid te verdedigen. Ze verloor nooit het contact met haar dochters, ze bleef altijd betrokken als moeder. Ze woonde alleen niet bij hen.’
Heeft u ook met haar dochters gesproken?
‘Nee, één van hen is al overleden.’
En de andere twee?
‘Ik heb ze niet kunnen opsporen. En hoe dan ook is dat een van de verschillen tussen een biografie en een roman. Bij een roman moet je het verhaal beperken, je kunt niet alles vertellen.’
Bent u niet nieuwsgierig hoe het met haar dochters is afgelopen?
Lachend: ‘Ja, heel erg! Ik weet alleen dat ze nog steeds in de VS wonen. Hopelijk lezen ze het boek als volgend jaar de Engelse vertaling uitkomt.’
De namen van Feliza beschrijft niet alleen haar leven, maar ook hoe Colombia veranderde vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Wat heeft u tijdens het schrijven over die periode ontdekt?
‘Ik heb meer geleerd over de Colombiaanse kunstwereld van de jaren vijftig en zestig. Toen Feliza begon met haar beeldhouwwerken, begon Gabriel García Márquez romans te schrijven en maakte Fernando Botero, de grote Colombiaanse schilder, zijn eerste schilderijen. Ook op het gebied van theater en poëzie was er een uitbarsting van talent.
‘Ik denk dat dat te verklaren valt door het feit dat Colombia politiek gezien door een moeilijke periode ging, met veel politiek geweld. Deze roman heeft mij nog beter doen inzien dat we in de kunst proberen antwoorden te geven op de vragen die de politiek opwerpt. Kunst is een manier om ons te verdedigen, vooral wanneer er geweld en pijn is.
‘Ook heb ik meer geleerd over de tijd dat president Julio César Turbay regeerde, van 1978 tot 1982, en er een speciale wet werd goedgekeurd om marxistische guerrilla’s te bestrijden. Die wet stond de vervolging en marteling toe van iedereen die ook maar een beetje links leek. Dat was in Colombia nog nooit in een roman beschreven.’
Feliza exposeerde haar kunst in Cuba. Dat lag gevoelig vanwege de Koude Oorlog.
‘Haar bezoek aan Cuba was uiteindelijk de reden voor haar arrestatie en verbanning. Cuba vertegenwoordigde in de ogen van de Colombiaanse regering alles wat slecht was. Contact onderhouden met Cubanen werd gezien als medeplichtigheid aan het communisme en als een bedreiging voor de Colombiaanse samenleving.’
Wat herinnert u zich van die periode?
‘Ik was 16 jaar oud toen de Berlijnse Muur viel. Ik ben opgegroeid in een wereld vol spanningen. Ik kom uit een conservatieve familie, maar zelf was ik dat niet. Daar zit al de eerste spanning in mijn leven. Ik zag als jonge jongen de dreiging van de marxistische guerrilla’s, die veel pijn en leed veroorzaakten en zeer gewelddadig waren.
‘Aan de andere kant was daar het antwoord van de paramilitaire legers van extreemrechts die evengoed bloedbaden aanrichtten en moordden. En te midden van dat alles was daar de alles voedende drugshandel. Dat was kort gezegd mijn adolescentie.’
Was dat ook de reden dat u als jongeman naar Parijs vertrok?
‘Nou, ik dacht dat ik wegging om schrijver te worden. Parijs heeft van oudsher een enorme aantrekkingskracht op Latijns-Amerikaanse schrijvers: Vargas Llosa, García Márquez, de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. Dus ik deed het ook om die ietwat absurde mythe na te jagen.
‘Maar in werkelijkheid was ik aan het vluchten voor een gewelddadig land. Bogotá werd in die jaren getekend door de bommen van het Medellínkartel van Pablo Escobar, die alleen al in het jaar dat ik 20 werd tweehonderd mensen doodden bij verschillende aanslagen. Dus ik ging ook op zoek naar een ander soort leven.’
Wat doet dat soort geweld met een land?
‘Dat is precies de vraag die ik heb geprobeerd te beantwoorden in al mijn romans – tweeduizend pagina’s inmiddels.
‘Het doet iets, maar ik weet niet precies wát. Een lange periode van extreem geweld verandert zonder twijfel een land en zijn mensen.
‘Ik heb altijd willen begrijpen waarom mijn land er in al die jaren niet in is geslaagd om de cycli van geweld te doorbreken. De actoren zijn anders, de motieven zijn anders, maar het geweld blijft. In een van mijn romans zeg ik dat Colombia als een muis in een tredmolen is.’
Uw landgenoot en Nobelprijswinnaar García Márquez woonde uiteindelijk als balling in Mexico, maar ook net als u even in Parijs. Voelt u verwantschap met hem?
‘Ik denk dat hij na Cervantes de meest invloedrijke schrijver van het hele Spaanstalige gebied is. Na Don Quichot (1605) is de meest invloedrijke roman in de Spaanse taal zonder twijfel Honderd jaar eenzaamheid (1967).
‘Dus iedere Colombiaanse schrijver moet noodzakelijkerwijs op de een of andere manier de confrontatie aangaan met deze grootheid. Mettertijd is het me gelukt om al het mogelijke te leren van García Márquez, die een buitengewone schrijver was.
‘Maar tegelijkertijd is zijn wereld heel anders dan de mijne. Colombia is een groot en divers land; de wereld van een jongeman, geboren in 1927 in Aracataca, een dorp met vijfduizend inwoners in het Caribisch gebied, is anders dande wereld waarin ik ben geboren, bijna een halve eeuw later, in de hoofdstad met vele miljoenen inwoners en bovendien op 2.600 meter boven zeeniveau. Het is een andere cultuur, een andere wereld.
‘Voor mij was het magisch realisme, de manier die García Márquez bedacht om over de wereld te schrijven, volkomen nutteloos. Voor mij werkte het niet. Ik heb me altijd meer verwant gevoeld met de stedelijke literatuur van Mario Vargas Llosa, of met Noord-Amerikaanse romanschrijvers zoals Philip Roth. Of, in Spanje, Javier Marías.’
García Márquez stierf in 2014. Hebben jullie elkaar ooit ontmoet?
‘Eén keer heb ik hem ontmoet, maar hij was toen al ouder en in de war. Dus nee, er was geen relatie, wat ik in zekere zin betreur. Ik had hem graag beter willen leren kennen. Maar aan de andere kant gaf het mij vrijheid. En zijn boeken blijven, dat is wat telt.’
Nadat u in Parijs had gewoond, heeft u ook nog negen maanden in de Ardennen gewoond. Waarom was dat?
‘Ik ging naar Parijs met het idee om schrijver te worden. Dat was wat ik al mijn hele leven wilde worden, ik schreef mijn eerste verhaal toen ik 8 was. Na drie jaar in Parijs te hebben gewoond had ik twee romans geschreven, maar geen van beide beviel me.
‘Ik raakte in een zeer intense persoonlijke crisis. Ik was zo ontevreden over mijn eigen werk dat ik me voor het eerst begon af te vragen of dit echt was wat ik met mijn leven wilde doen. Dus vertrok ik naar de Ardennen om na te denken en om me te verstoppen in het huis van oudere vrienden, een stel geboren in de jaren twintig; zij vingen me op.
‘Ik heb daar negen maanden doorgebracht, en in die tijd ontdekte ik eindelijk wat voor soort schrijver ik wilde zijn en wat voor soort leven ik wilde leiden. Aan het einde van die negen maanden reisde ik terug naar Colombia en trouwde met mijn vriendin, die nu mijn vrouw is. We gingen naar Barcelona en ik begon de boeken te schrijven waar ik wel trots was.’
Heeft die periode buiten Colombia u een andere blik op uw moederland gegeven?
‘Inmiddels heb ik het grootste deel van mijn volwassen leven buiten Colombia gewoond; ik woon nu met mijn vrouw in Madrid, mijn tweelingdochters studeren in Parijs en het Verenigd Koninkrijk.
‘Maar sinds 2004, toen ik De informanten publiceerde, heb ik geen enkele pagina geschreven die niet Colombiaans is. Elke pagina in mijn romans is een verkenning van mijn land. Mijn land is mijn grote obsessie. Niet alleen in mijn romans, ook in mijn journalistieke werk. Alles wat ik schrijf gaat over het begrijpen van Colombia. Dus in zekere zin ben ik wel vaak uit Colombia weggegaan, maar Colombia is nooit uit mij weggegaan.’
Er zijn dertig jaar verstreken sinds u voor het eerst over Feliza las. Hoe was het om dit boek over haar definitief af te ronden?
‘Het was dertig jaar leven met een geest die soms meer aanwezig was, soms minder. Dus het afronden van het boek gaf me een gevoel van melancholie. Het sluit mijn relatie met Feliza Bursztyn af. Tegelijkertijd is het een opluchting. Ik hoef niet meer aan haar te denken, niet meer alert te zijn op elke aanwijzing over haar die zou kunnen opduiken. Als ik nu iemand nieuws in Colombia ontmoet, is mijn eerste gedachte niet meer: Zou hij Feliza Bursztyn hebben gekend? Zou hij iets over haar weten? Nee, ik ben eindelijk vrij.’
En heeft u antwoord gevonden op die ene vraag, waarom zij stierf van verdriet?
‘Ja, dat heb ik. De hele roman is mijn antwoord, die 320 pagina’s in de Nederlandse vertaling. Ik hoop dat de lezers het ermee eens zijn.’
Juan Gabriel Vásquez: De namen van Feliza. Uit het Spaans vertaald door Brigitte Coopmans. Meulenhoff; 320 pagina’s; € 24,99.
1973 Geboren in Bogotá.
1996-1998 Woont in Parijs.
1999 Woont negen maanden in de Ardennen.
1999-2012 Woont in Barcelona.
2001 De geliefden van Allerheiligen (korte verhalen gesitueerd in de Belgische Ardennen).
2004 De informanten.
2007 De geheime geschiedenis van Costaguana.
2011 Het geluid van vallende dingen (bekroond met de Premio Alfaguara).
2012-2023 Woont in Bogotá.
2013 De reputaties.
2015 De vorm van ruïnes (shortlist Man Booker International Prize).
2023-2025 Woont in Madrid.
2023 De terugblik.
2025 De namen van Feliza.
Vásquez is onder meer columnist voor de Spaanse krant El País, hij is getrouwd en heeft een tweeling.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant