Roxane van Iperen vertelde op televisie over de schermverslaving van kinderen. Het is allemaal net zo erg als heroïne. De hersenen raken in een staat van constante overprikkeling door de rap flitsende beelden, een gebrek aan kop of staart, the void. Ik las over de deuk in je pink, tussen het bovenste en middelste kootje, voel zelf maar bij je dominante hand. Dat deukje is er beetje bij beetje permanent in gestanst door de rand van je mobiel. Ik las een geweldige column van Eva Peek in NRC, over de voortdurende non-hiërarchische informatiestroom die ons doldraait en afvlakt.
Ik zag ons voorland, generaties met scheefgegroeide vingers, een grijs waas over het netvlies, platvoeten, de rug als een hoepel gekromd. Ik dacht aan een verhaal van Jostein Gaarder, over een toekomst waarin het mogelijk was om, door middel van geavanceerde virtualreality-techniek, vanuit de luie stoel ieder moment van de geschiedenis in te stappen. Zo kon je arm in arm met Scipio Africanus de slag bij Zama beleven, Sartre bepotelen in Café de Flore, een pyjamafeestje hebben met Andy Warhol, of met Napoleon op tamme konijnen jagen. Maar, zo stelde Gaarder, het gevolg was dat de wereld volledig was stilgevallen. Niemand kwam meer op straat, iedereen bleef binnen: verzonken in een verleden. Het eigen lichaam deed er niet meer toe. Het verpapte, de botten poreus, de monden kwijlden. De geschiedenis was tot een einde gekomen, precies zoals het postmoderne defaitisme toen voorschreef.
Zijn voorspelling komt half uit. De ene helft van de mensheid lijdt, de andere helft kijkt de hele dag naar dat lijden. Op een bepaalde manier is Gaarders toekomstvisioen zelfs te mild, want veel mensen leven alleen nog maar in registratiemodus. Ze zetten de zwembaden waaraan ze zitten online, gooien er een hongerig Palestijns kind achteraan en weten niets meer over Hitler.
Maar goed, we wéten het. We zijn schuldig en machteloos, allemaal. De waarschuwingen vinden geen echte grond. We proberen kinderen weg te houden van mobiele telefoons, terwijl we zelf in schermen verdwijnen. Misschien moeten we bidden, denken sommigen, en worden katholiek. Misschien moeten we lezen, denken anderen, en nodigen vrienden op Signal uit om samen boeken te bespreken, je weet wel, met wijn erbij, om er daarna niet in te slagen zelfs maar een eerste bijeenkomst te organiseren.
Maar deze week wandelde ik, midden op de dag, een donkere zaal in, waar jonge mensen toneelprojecten presenteerden. Aan het einde van de dag liep ik pas weer het licht in. Het was nog warm buiten. Ik ging op een bankje zitten.
Wat moet je een hartstochtelijk mens zijn, om een publiek met alles wat je hebt te betrekken bij het leven. Om diep, en dan nog dieper na te denken over de dingen die je belangrijk vindt en om vervolgens met een gare pruik op of juist met lege handen en vlammende ogen, de wereld doodsbang maar strijdbaar tegemoet te treden.
Ik rekte me uit in de zon, een en al zinderend lichaam.
Het onheil is, geloof ik, nog steeds afwendbaar, door met z’n allen in het schitterende nu te bestaan.