Al mijn hele leven probeer ik plezier te beleven aan Koningsdag (of Koninginnedag, het is me om het even). Het koekhappen, de Nederlandse vlaggen, de rotzooi op straat die niemand op Vinted wilde hebben en de kinderen die waterige limonade verkopen: ik kijk ernaar en probeer uit alle macht te glimlachen. Op een dag dat we het collectief naar onze zin horen te hebben wil ik niet dwarsliggen, hoe afstotelijk de kleur oranje ook is.
In mijn woonplaats Amsterdam begint het bacchanaal de avond van tevoren al: allemaal één aperol spritz voor de vorm en daarna gewoon door met het bier. De voorpret begint natuurlijk nog veel eerder. Al weken is elke stoep afgeplakt met ducttape door mensen die ook weleens willen weten hoe het voelt om over een stuk grond te heersen. En niet alleen de straten, ook de grachten zullen maandag tot de nok gevuld zijn. Hoe kan het toch dat schijnbaar iedereen in het bezit is van een dertigkoppige vriendengroep waarmee ze eens per jaar oranje wijn drinken en met Lamme Frans meezingen in een sloep? Het lijkt me de hel, maar het genot is duidelijk echt. Er zou een woord moeten bestaan voor iets absoluut niet willen en tegelijkertijd toch een zekere jaloezie voelen.
Mijn enige troost op 27 april is de via de publieke omroep te volgen processie van de Oranjes, dit jaar in Dokkum. Gedeelde smart is halve smart, en als er iemand meer lijdt onder Koningsdag dan ik, dan is het Willem-Alexander. Een hele natie zal je verjaardag maar als reden aangrijpen om met eieren naar elkaars hoofd te gooien, elkaar aan te randen en op straat te kakken.
Heel veel medelijden hoeven we natuurlijk niet te hebben, de koning kan 364 dagen per jaar in alle rust genieten van een jachtvergunning, Griekse vakantievilla en vriendschappelijke logeerpartijen. En toch blijft het wreed om iemand jaar in jaar uit op uitgerekend zijn verjaardag aan deze hysterie te onderwerpen. Alleen die misstand zou al genoeg reden moeten zijn om de monarchie nou maar eens af te schaffen.
Ga er maar aan staan: ’s ochtends word je in alle vroegte in een touringcar gepropt met familieleden wier kop je niet wil zien. Bij aankomst in het gehucht dat zich al maanden op je komst verheugt staat er een zwetende burgemeester op je te wachten, die je een klamme hand geeft en de rest van de dag alleen nog maar oog voor je vrouw heeft. En dan het helse parcours dat ze voor je uit hebben gestippeld. Streetdancers die nog slechter zijn dan het jaar ervoor, een onverstaanbare plaatselijke rapper en een goedbedoelende onderdaan die je iets uitlegt over een duurzaam initiatief terwijl je compleet aan het dissociëren bent. En dan moet de quiz over lokale tradities en gebruiken nog komen.
Het ergst is dat je moet doen alsof je het allemaal prachtig vindt. Willem-Alexander kan dat niet. Hij doet dappere pogingen, maar toch geloof je hem geen seconde als hij tegen de plopkap van de NOS verkondigt dat hij zich ‘geen betere verjaardag had kunnen wensen’ en dat Emmen een ‘fantastische stad’ is waar de mensen ‘een ongelofelijke prestatie’ hebben neergezet. In Dokkum zal het helemaal naar superlatieven zoeken zijn: als er één provincie geen gebrek heeft aan zelfvertrouwen is het Friesland wel. Daar laten ze de Oranjes niet terug de Afsluitdijk op voor ze een voor een in het Frysk hebben bedankt voor de organisatie van het spijkerpoepen.
Aankomende maandag tel ik mijn zegeningen. Ik mag iets wat de royals niet mogen: ontsnappen aan het oranje circus. Mij staat het tenminste vrij om naar het buitenland te vluchten – naar een mooie republiek bijvoorbeeld.