Na weer een fietsongeluk maakt Jacques Koch de balans op van een leven lang vallen. Wat maakt dat hij zo vaak het asfalt kust? En waarom draagt hij na acht hersenschuddingen nog geen helm? ‘Je moet eens weten hoe vaak mensen voor jou uitwijken of op de rem gaan staan.’
Daar lig ik weer, naast mijn fiets, op kletsnatte stoeptegels. In mijn onderarm een pijn als een lange bibberende vlam. Kijken lukt niet, ik ben halfblind, en als ik overeind kom, stroomt er bloed in mijn oog. In de ambulance proberen ze me te kalmeren. Maar ik ben woedend. Tien dagen geleden lag ik er ook bij als een lappenpop. Onderaan een roltrap. Uitgegleden. Een snee in mijn scheenbeen, lang en diep.
Zo-even nog fietste ik naar mijn huisarts om het hechtdraad te laten verwijderen. Het begon te regenen, ik stak een paraplu op waar meteen de wind onder kwam. Hij waaide uit het handvat, ik keek verschrikt om. Onhandige draai aan het stuur. Stoeprand. Fietsband. Keiharde landing. Krak.
Als op de spoedeisende hulp mijn wenkbrauw is gehecht en in één beweging die andere hechting is verwijderd, mag ik mijn partner bellen. Over mijn pols die op de röntgenfoto een complexe breuklijn laat zien. En over mijn achtste hersenschudding. Zelfs de pijn in mijn onderarm kan de duizeligheid niet verdringen. En die duizeligheid herken ik, het is de ongenode gast die al jaren halsstarrig bij me komt aanwaaien. Ik durf niet met mijn vriendin te praten. Een arts-assistent voert het gesprek. Ik hoor W. heel kalm tegen haar zeggen: ‘Bekende adres?’
Het is een specifieke vorm van ongeluk om, door pech of onnozelheid, naast je fiets te belanden. Op de behandeltafel, met de arm strak in de ‘Chinese vingers’ (gevlochten bamboekokertjes die bot en breuk op lengte trekken; je moet het zien om het te snappen) constateerde ik: dit overkomt me wel erg vaak. Niet uitsluitend als prille zestiger met aanwassende evenwichtsproblemen, maar door de jaren heen, als kind al. Vaak krabbelde ik op met het ‘normale’ letsel (gebroken ribben, gekneusde enkels, kapotte knieën), maar met een irritante regelmaat ving mijn hoofd de klap op en was de schade groter dan een buil of een schaafwond.
De kroniek van mijn vallen begint in de jaren zeventig, in Oegstgeest. Is het een slecht omen dat twee van mijn vroegste herinneringen over vallen gaan? Mijn vader, hoofdredacteur van de Oegstgeester Courant, nam me als jochie van 5 mee naar het rampgebied in het dorp waar een verkeersvliegtuig uit de lucht was gevallen. Kermende slachtoffers, gillende sirenes, ik lag er nog weken van wakker. Dat het om een EHBO-oefening ging, wilde niet tot me doordringen.
De andere herinnering die oprispt, speelt een jaar later. Januari 1972. Ik ben zojuist uit de Kabouterstad gestuurd. Op de Jenaplanschool zijn de klassen opgesmukt met namen die niet goed passen bij mijn bokkige gedrag. Door het venster in de gang kijk ik naar de torenkraan op het aangrenzende bouwterrein. Hoog, heel hoog, zit een mannetje in een krap hokje. De kraan lijkt te schudden. Onder het mannetje strekt zich een eindeloze ladder uit. Ook die gaat plots vreemd heen en weer. ‘Juf!’, roep ik. ‘Ju-huf!’ De kraan valt om, deels op het speelplein waar we een kwartier eerder nog rondrenden.
Lang heb ik gedacht dat dit een valse herinnering is, omdat ik nóg een beeld heb van die vallende kraan, vanuit een heel ander gezichtspunt. Jaren later zal mijn vader zijn plakboeken met gearchiveerde nieuwsberichten erbij pakken. Ik heb niks verzonnen, er zijn op die plek kort na elkaar twee torenkranen omgevallen.
De tweede was onbemand, het mannetje in de eerste overleefde de val. Een bekwame beschermengel. Zijn cabine viel precies op een zandheuvel.
Maar dit is voorgeschiedenis. De eerste keer dat ik met serieuze consequenties van mijn fiets en op mijn hoofd val, is in het laatste jaar van diezelfde lagere school. In 1976 heb ik het Kabouterstad ingeruild voor een bovenbouwklas die het Nijverdal heet. Op mijn stoere, gifgroene chopper fiets ik met tegenzin naar een zwemtraining. Ik let niet op en knal tegen de achterkant van een geparkeerde auto. Mijn lichaam schiet tussen de stangen van het hoge stuur door, mijn hoofd slaat hard tegen de achterruit. Ik krabbel op, geschrokken, versuft. Wacht op wat komen gaat, maar niemand heeft iets gezien. De chopper is nog heel en ik fiets snel naar het zwembad. Ik ga hier tegen niemand iets van zeggen. Dat ik daarna nog best lang duizelig ben en hoofdpijn heb, ook daarover houd ik mijn mond.
De tweede keer. Een half jaar later. Ik fiets naar trompetles. Het lidmaatschap van een drumband verfoei ik. Ik schaam me voor het uniform. De grijze broek met de blauwe biesjes, de sjako met malle pluim die steeds van mijn hoofd glijdt. Aan de goede kant van de molen doen ze dat hun kinderen niet aan.
Mijn trappende knie komt tegen de trompetkoffer, zullen ze me later vertellen. Ik slingerde en viel hard op mijn hoofd. Er groeit een buil op als een half kippenei. De huisarts die langskomt, constateert een hersenschudding. Rustig aan doen, zes weken in bed met de gordijnen dicht – begin jaren zeventig het gangbare recept. Ik voel me niet anders duizelig dan een half jaar geleden. Maar zes weken niet naar school... Best tof.
Sprong voorwaarts weer naar de achtste keer. Voorlopig blijft mijn gebroken pols onaangeroerd in het gips, voor de operatie is pas acht dagen later plek. ‘U bent helaas de enige niet’, zegt de verpleegkundige. En ik bén ook niet de enige. Jaarlijks komen er, lees ik, meer dan 45 duizend mensen op de spoedeisende hulp met een polsfractuur. Het is een van de meest voorkomende letsels.
Voor cijfers over fietsongelukken neem ik contact op met het SWOV, het kennisinstituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid. Ze sturen me een factsheet uit december 2025 met de meest recente cijfers over het aantal ernstig verkeersgewonden. Dat waren er, in 2024, naar schatting 7.800. Verreweg het grootste aantal daarvan zijn fietsers: 5.300, ruim 14 per dag. In totaal zijn dat, merkt het SWOV fijntjes op ‘21 duizend levensjaren die met beperkingen zullen worden doorgebracht’. Na een kleine dip zet de stijgende trend door. Het instituut voorspelt tot 2040 op basis van onder meer verkeersdrukte en vergrijzing, nog eens 20 procent meer ernstig gewonden in het verkeer, met de grootste stijging onder fietsers en ouderen.
In de hoek waar de fatale klappen vallen, blijken die ouderen een overheersende rol te spelen. Begin deze maand kwamen zowel het SWOV als het CBS met de aantallen verkeersdoden in 2025: 759 (84 meer dan in 2024). Wat opvalt: de stijging van het aantal omgekomen fietsers naar 281 komt vrijwel helemaal op het conto van mannen op leeftijd.
Uit die groep zijn het vooral de 70-plussers die bij eenzijdige ongelukken zónder botsing met anderen op het asfalt tuimelen. Belangrijkste doodsoorzaak: hersenletsel.
De derde keer, halverwege de jaren tachtig. Ik fiets door rood, maar de buschauffeur trekt ook wel erg snel op als hij groen krijgt. Met mijn hoofd tegen de zijkant van de bus, en hard ook. Snel opstaan en wegwezen. Maar de wereld draait en mijn lichte Peugeot is minder degelijk dan een chopper: de voorvork staat in een rare hoek. De chauffeur scheldt me uit en biedt later zijn excuses aan: ‘Ik schrok me rot.’ In het ziekenhuis mijn eerste scan. Ze zeggen: ‘Voor de zekerheid.’
En vinden niets. ’s Avonds bel ik, met knallende koppijn, mijn ouders, ik zit nog maar een paar maanden op kamers in Utrecht. Mijn moeder zegt boos: ‘Je moet je hoofd erbij houden!’
Herfst 1991. De vierde keer en mijn eerste ambulanceritje. Ik fiets door de stad met een ingeklapte paraplu. Een groot reclamemodel van Coca-Cola. Op duistere wijze komt het ding tussen de spaken van mijn voorwiel. Iemand zag me een boogvlucht maken en landen op mijn hoofd. De arts die mijn kin dichtnaait (een lelijk litteken), zegt dat ik mazzel heb gehad. ‘Je had je nek kunnen breken.’ Wel nog even in de scan straks, voor je weet maar nooit. Mijn moeder is opnieuw kwaad: ‘Je bent net je vader, die is er ook nooit bij met zijn hoofd.’
Achteraf gezien had ze gelijk. Als ik fiets ben ik elders, zoals ik dat elders ook ben. En elders is het altijd druk in mijn hoofd. Ik kan naar mijn werk fietsen en me twintig minuten later erover verbazen dat ik er ben. Van de fietstocht herinner ik me dan niets, ik was met zoveel andere dingen bezig. Als mijn vriendin mee op fietst, zegt ze vaak: ‘Je moet wel opletten.’ Dan zeg ik: ‘Het gaat toch goed?’ En zij: ‘Alleen maar omdat verder iedereen wél oplet. Je moet eens weten hoe vaak mensen voor jou uitwijken of op de rem gaan staan.’
Fietsen zonder je hoofd erbij te hebben is een kwestie van automatisch handelen. Het werkt, net als bijvoorbeeld autorijden en traplopen, op routine en een motorisch (of procedureel) geheugen, legde Albert Postma, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de Universiteit Utrecht al eens aanstekelijk uit in de Volkskrant (22 september 2017). Na veertig jaar in Utrecht ben ik alleszins bedreven om me, met het hoofd elders, door de stad te bewegen omdat ik ook de fietskaart nagenoeg heb geïnternaliseerd.
Toch is de routineuze fietsbeweging helemaal niet zo vanzelfsprekend, zegt ‘fietsprofessor’ Arend Schwab aan de telefoon. Hij is expert in mechanica en deed, voor TU Delft, jarenlang onderzoek naar de kunst van het fietsen. De meeste mensen hebben niet het geringste benul wat ze op dat fietszadel precies aan het doen zijn, zegt hij: ‘Je koopt een fiets, maar er zit geen boekje bij over hoe je moet balanceren op zo’n wankel ding. Hoe hou je ’m overeind? Daar is maar één soort mechanisme voor: sturen in de richting van de val. Als je naar links valt, stuur je naar links. Als je naar rechts valt, stuur je naar rechts. Klinkt heel simpel en daarna kun je denken: oké, zo ga ik het doen en dan kan ik fietsen.’
Maar dat blijkt dus niet waar te zijn. Je moet te snel reageren om het verstandelijk te kunnen doen: ‘Het moet een automatisme worden en dat moet je je zelf aanleren’, zegt Schwab. Wie veilig wil fietsen, moet niet nadenken over de beweging (‘dat kunnen we niet, want we weten niet precies wat we als systeem hebben aangeleerd’), maar het hoofd bij de omgeving houden.
Die omgeving kan veeleisend zijn. Ik spreek vriend en collega Hans die al een leven lang in Amsterdam woont. Sinds hij met zijn fietswiel in een tramrail belandde, kort nadat zijn vriendin tegen een vluchtheuvel was gefietst, draagt hij een fietshelm. ‘Ik kwam er nog goed mee weg, maar zij maakte een keiharde val, brak haar duim en had ook hoofdletsel waar haar zorgverleners in eerste instantie geen acht op sloegen.’ Zij heeft een vaste baan en zat driekwart jaar thuis. Hij is zelfstandig en zo’n lange werkonderbreking, zegt hij, kan hij zich niet veroorloven.
Dat bijna geen fietser in de stad een helm draagt, ergert hem: ‘Het klopt gewoon niet, het is nostalgie. Maar die cultuur van vrijheid spoort allang niet meer met het propvolle verkeersbeeld.’
De jaren nul, de vijfde keer. Auto van rechts. Ik schuif over de motorkap, hoofd tegen de straattegels. De bestuurder stapt lijkbleek uit. Ik kom overeind. Sterretjes. ‘Gaat het?’ Ik knik. Hij zwijgt. En zoals we daar dan staan met z’n tweetjes... De impasse van verbouwereerde blikken duurt voort tot het gênant wordt. De hoofdpijn en duizeligheid houden dit keer langer aan. Bijna een half jaar. Dan herken ik ook voor het eerst heel scherp de overgang van suf naar helder. Alsof je oren openploppen. Ik noem het ‘de plop’. W. kijkt me bevreemd aan. ‘Het lijkt wel of je het erom doet,’ zegt ze. ‘Natuurlijk niet’, zeg ik beledigd. ‘Wie doet zoiets?’
Jaren later stuit ik op een romanpersonage dat het er inderdaad om doet, een filmstudente die het allemaal niet meer ziet zitten. Ze stapt van haar fiets en staart naar de stoeptegels: ‘Er ging zo’n aantrekkingskracht van uit.’ Al eerder heeft ze het verlangen gevoeld ‘om gewoon midden op straat te gaan neerliggen, het op te geven, om gevonden te kunnen worden, verzorgd te worden’. Het is nu of nooit. Ze gaat naast haar fiets liggen, op haar rug, de benen in asymmetrische positie en... Lees vooral zelf hoe het verder gaat.
De prachtig uitgesponnen scène komt uit Ik ben er niet van de Vlaamse schrijfster Lize Spit. Bijna te mooi om te verzinnen. Is het autobiografisch? Het is een vreselijke vraag aan een schrijver, maar ik stel hem toch en Spit neemt de tijd voor een antwoord. Ze zit thuis, in het gips, met een gebroken enkel en gescheurde kruisbanden. Voet omgeslagen op een stoeprand, vlak na het Boekenbal.
‘Autobiografisch is dit niet’, zegt ze, ‘maar echt een verzonnen verlangen. Ik probeerde me zo goed mogelijk in te leven in de vermoeidheid van mijn hoofdpersoon. Ieder mens komt wel eens op een dieptepunt waarbij je letterlijk zin krijgt om bij de pakken neer te gaan zitten.’
Zelf lag ze, zonder opzet, ooit naast haar fiets met een gecompliceerde kniebreuk. Aanrijding met een auto, precies aan de vooravond van het finaleweekend van Write Now!, de prijs voor jong schrijftalent. ‘Ik won ’m, gelukkig, wie weet uit puur medelijden.’
Voor mij geen medelijden meer, maar toch vooral ongeloof. De zesde keer. Op Terschelling, bij Hoorn. Blijkbaar overschatte ik, in dronken overmoed, de breedte van het fietspad en raakte zijdelings een tegenligger. Als ik bijkom, zit er een vriend naast me, gehurkt. Hij stelt me gerust. Niet de vriend waarmee ik naar het Oerol-festival van 2011 ben gekomen, maar de vriend die twee decennia geleden, na een ellendig ziekbed, is overleden. ‘Je was in paniek, lag te huilen in de ambulance’, zegt de andere vriend, ‘je kalmeerde pas toen de arts je kin dichtnaaide.’ Die arts vertelt me later: ‘Het kan zijn dat je hersenen door de klap even geen zuurstof hebben gehad en dat je daardoor hallucineerde.’ De hoofdpijn en duizeligheid neem ik mee naar het vasteland. Na amper een maand de plop. Wonderlijk toch.
De hoofdredacteur van het medisch vaktijdschrift waarvoor ik veel schrijf, geeft me het telefoonnummer van Leander Dubois: ‘Traumachirurg, aardige kerel. Praat eens met hem. Is een vurig voorstander van de fietshelm.’ Ik spreek Dubois als hij even pauzeert op de werkvloer in het Amsterdam UMC, de afdeling Mond-kaak-aangezichtschirurgie, waar hij vandaag op de ok staat.
Hij vertelt over zijn stage die hij ooit liep in Vietnam: ‘Hier zie je nu heel vaak twee jongeren op een fatbike voorbijschieten, in Ho Chi Minh-stad zag ik ze met drie, vier, soms wel vijf op een motorfiets zitten. Er werd nog zonder helm gereden toen ik daar zat. Het aantal patiënten dat bij ons binnenkwam met aangezichtsverwondingen was gigantisch. Ik werd daar blootgesteld aan heel heftige trauma’s, echt bizarre verwondingen. Bij aangezichtsfracturen heb je een indeling in drie categorieën: Le Fort I-, II- en III-fracturen. In Vietnam spraken we over Honda I, II of III.’
Wat hij indertijd in Vietnam zag, vertelt hij, ziet hij nu in Nederland. Een enorme toename van ernstig letsel onder e- en fatbikers: ‘De verwondingen lijken sterk op die van motorfietsongelukken. Bij heel jonge mensen zie ik dingen die ik vroeger nooit zag. Een verbrijzelde bovenkaak, een onderkaak in meerdere stukken. Verminkende littekens die je nooit meer helemaal goed krijgt, en hersenletsel. Ook op de lange termijn heeft het enorme gevolgen, denk aan verlies van lichaamsfuncties en aan een verstoord zelfbeeld bij slachtoffers die worstelen met zichtbare veranderingen.
Daarom is hij ook zo’n groot voorstander van de fietshelm, een helmplicht, in elk geval voor alle fat- en e-bikes. ‘Kijk je naar het traumamechanisme en de impact voor het brein, of in ieder geval voor de hersenen, dan ligt het afkappunt op 20 kilometer per uur. Ga je sneller, en dat doe je met een e-bike of een fatbike, dan heeft een helm een behoorlijke preventieve functie.’
Het ligt eraan welke studie je erbij pakt, zegt hij, maar met een helm voorkom je iets van tussen de 80 en 90 procent van het hoofdletsel. ‘Denk bij hersenletsel of ernstig letsel aan 70 tot 80 procent.’ Dubois moet weer aan het werk. De patiënt die op hem wacht op de ok, heeft haar jukbeen gebroken, en haar schedel op meerdere plekken. ‘We lijken alle vooruitgang die we geboekt hebben met verkeersveiligheid weer te verliezen’, zegt hij.
Of ik inmiddels zelf een helm draag, is een vraag die hij niet stelt. Gelukkig maar, want ik heb geen goed antwoord op dat verzuim. Misschien, denk ik, is in dit land de vanzelfsprekendheid dat je op een gewone fiets geen helm draagt ook domweg zo groot dat het, zelfs na acht hersenschuddingen, niet eens in me opkomt dat ik dat zou kunnen overwegen. Mijn vriendin wijst me soms op de mogelijkheid, vooral sinds de omstandigheden rond mijn zevende hersenschudding diepe sporen bij haar achterlieten. En toch, ze snapt dat ze zelf ook iets heeft uit te leggen. Want waarom draagt ze er zelf dan ook niet eentje?
Die zevende keer, vlak voor Kerst 2022. ’s Middags kom ik bij zinnen op de afdeling neurologie van het UMC Utrecht. Mijn vriendin zit aan bed. Naast haar een grote gele zak. Ik vraag wat erin zit. Ze zegt: ‘Je kleding.’ Als ik hoor dat die in een ambulance van mijn lijf is geknipt, word ik boos. Mijn nieuwe jas, verknipt?! W. ontploft. Ze liep net nog langs een huilende familie in de gang. Ze zegt: ‘Er zijn mensen die hier weglopen met alleen nog die zak.’
Een paar uur geleden werd ze gebeld door een onbekend nummer. Agent Victor. ‘Heeft u een partner die Jacques heet?’ Toen ze in het ziekenhuis arriveerde, kwam ik net uit de scan en was er druk overleg tussen neuroloog en chirurg. ‘Iemand zag je met je fiets zwabberen en onderuitgaan. Je was vijf minuten buiten westen.’ De traumahelikopter was bijna uitgevlogen. ‘Je mond hing scheef, ze dachten aan een beroerte.’ Toen ze me zag, zegt ze, was ik afatisch, kon alleen maar onverstaanbaar brabbelen: ‘Ik dacht aan je vader.’
Een paar jaar geleden zaten we aan zijn sterfbed. Hersenbloeding. Grote schade in de linkerhersenhelft. De man van de krant zonder taal. Mijn vriendin besefte dat die taalloosheid mijn, onze, nieuwe werkelijkheid zou kunnen zijn. Ze kreeg er weer vertrouwen in toen ze me toefluisterde dat ik een fietsongeluk had gehad: ‘Toen had je een lachje waarin ik je herkende, zo’n ironisch het-zal-ook-weer-eens-niet-lachje. En daarna ging je heel snel vooruit. Hoe voel je je nu?’
Ik voel me niet slecht, niet anders dan die andere keren. Alleen ben ik een halve dag kwijt, de ochtend voor het ongeluk, de vele uren erna. Herinneringen die zijn opgelost als een bruistablet. Nee, zegt een arts, ze zijn er nooit geweest en ze kunnen ook niet terugkomen.’
Ik moet een nachtje blijven, ter observatie. En de volgende dag opnieuw een scan. Beroerte? Ze komen er niet uit. Ik vertel over mijn ongelukkige fietshistorie. Er is overleg en ik word naar huis gestuurd met het voordeel van de twijfel en een dringend advies om voortaan een fietshelm te dragen. De afasie en amnesie worden toegeschreven aan de commotio (de medische term voor hersenschudding). Op mijn ontslagformulier staat: ‘Patiënt heeft een geschiedenis van onhandige ongelukken.’ W. zegt: ‘Nu is het eindelijk officieel. Neurologisch onhandig verklaard.’
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant